Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/157

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 145 )

den van het Latijnſche woord Major, grooter, doch zonder grond. – Anderen met meer waarſchijnlijkheid van het woord Major, Meiër, of het Franſche Maire, betekenende: eenen Hoofdſchout, zoodat het zoo veel zou zeggen als: het Hoofdſchout-ambt van 's Bosch, doch de vraag is of de Majorij wel altijd gerechtlijk onder die Stad gehoord heeft, wijl andere plaatzen in vroegere tijden meer uitmunteden in grootheid en magt dan de laatstgenoemde, want men leest nog in oude papieren: De Stad Helmond ende het Stedeken den Bosſche. – Of zou men deeze benaaming niet moogen afleiden van het Hoogduitſche Maijer of Meijër, betekenende eenen Boer of Landman, zoo dat het te kennen geeft eene Landſtreek, die door Boeren bewoond is rondöm 's Bosch? – De Majorij verdeelt men in vier deelen of zoogenoemde Kwartieren, welke in rang dus volgen: Peelland, Kempenland, Oosterwijk en Maasland. – Peelland heeft zijnen naam van de Peel, welke ik U boven reeds beſchreeven heb, en deeze naam ontleend men van het Latijnsch Palus een moeras, of van het Hoogduitsch Pfuhl, waarvan ons Poel en eindelijk Peel ontſtaan is. – Kempenland word zoo genoemd volgends ſommigen van de oude Kimberen, en dan zou het zoo veel weezen als Kimberland; anderen leiden het af van Kampen, Kempen, ſtrijden; nog anderen van het Latijnsch woord Campus een Veld, of Vlakte; of van het Majorijsch woord Kampen of Kempen betekenende Landen met eenen aardwal, die met hakhout beplant is, omgeeven; of men zou het misſchien beter van het Latijn aflei-

den,