Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/50

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 38 )

Een al te vrij geſprek mishaagt de meeste liên,
In deezen ſpiegel denkt elkëen zijn beeld te zien.

Ik bewonderde de oprechtheid van deezen man, en ſchonk hem alle mijne hoogächting. – "Zie daar, zeide ik bij mij zelven, toch een openhartige braave Roomschgezinde. – Ik moet dien man nog eens weêr ſpreeken." – Ik verliet hieröp met eenigen deezen man en het overige gezelſchap, en wij gingen naar het Coffiehuis. – Hier ſpraken wij over onverſchillige zaaken, over het mooië weder en lange dagen, en ik wierd nu niet meer, gelijk van te vooren, omdat ik nu mede ſprak, voor een vreemd etre voor eenen gek gehouden. – Eindelijk trad ook mijn openhartige onbekende binnen, ik voegde mij terſtond bij hem, en wij kwamen ſchielijk weêr op ons voorig geſprek omtrent de Kerken en Godsdienst, en na veel hieröver geſproken te hebben, plaatſten wij ons, van de anderen afgeſcheiden, in eenen hoek van de kamer; toen begon hij ernſtig, zeer ernſtig met mij te ſpreeken, zeggende: "Onze Godsdienst heeft veele zaaken, die voor een' Gereformeerden, en voor ieder een, die van eene andere gezindte is, zeer beſpotlijk ſchijnen, en het is ook in de daad zoo, doch dit alles hoort 'er eigenlijk niet toe, wij zouden veel kunnen misſen, dat 'er wel af kon; ik lagch met alle die aaperijën, nogthands houde ik onze H. Kerk, het gekke 'er buiten geſlooten, voor de eenige waare Kerk. De Gereformeerden heb-

"ben