Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/53

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 41 )

mer riep ik uit: alweêr ben ik bedroogen!! – Doch laat mij deezen eindigen. – Het is ruim middennacht. – Stil! – daar ſlaat de klok half één, dus moet ik naar bed. – Ik blijf geheel de uwe

L. J. A. 




ZEVENDE BRIEF.

 Waarde S........!

Gij zijt ongerust over mij, dit zie ik uit uwen brief, dien ik gisteren ontving, omdat Gij eenige dagen vruchteloos naar eenen brief van mijne hand gewacht hebt; ik beken het, het is mijne ſchuld, die U deeze ongerustheid veröorzaakte, doch Gij zult mij dezelve gaarne vergeeven, als ik U zeg, dat de reden van mijn lang ſtilzwijgen eenig en alleen in mijne geduurige afweezendheid uit deeze plaats geweest is. Ik wandelde 's morgens vroeg uit en kwam 's avonds vermoeid in mijne Herberg te rug; ik heb de omliggende Dorpen, naamlijk: Woenſel, Geſtel, Oerle, Zeelst, Veldhoven, Waalre en Straatum eens bezocht. Geen deezer Dorpen levert, zoo ver ik heb kunnen naarſpooren, iets aanmerklijks uwe aandacht waardig, uitgenomen het eerstgenoemde Dorp, op; ik heb mij dus bezig gehouden, om den aart, het charakter, den Godsdienst, het bijgeloof en de levenswijze der Inwooners naar te ſpooren, hier-,

över,

C5