Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/54

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 42 )

över, want ik heb alles nog niet genoeg kunnen doorkijken, in het vervolg eens nader. – Eerst bezocht ik Woenſel. – Hier vind men het Klooster, waarvan ik in mijnen vijfden Brief heb melding gemaakt. – Gaat men dan verder de Dommel langs naar beneden, dan ontmoet men eenen eenvoudigen door kunst aangelegden Waterval, welke, wanneer de Dommel boven haaren peil raakt, met een ſterk gedruisch in eene kom nederſtort, dit levert, vooräl wanneer men denzelven op eenen kleinen afſtand, als de Zon van ter zijden haare ſtraalen op het vallend water nederſchiet, beſchouwt, eene gansch niet onäartige vertooning op, gelijk ik meer dan eens reeds ondervonden heb. – Verbeel U, mijn Beste S........! de opgaande Zon in allen haaren pracht achter U, voor U hebt Gij eene boorden volle rivier, en eenen Waterval, welks water, door de ſtraalen der rijzende Zon, eenen vuurgloed ontvangt, ſchuins voor U, over ſchoone weilanden en graanvelden, ziet Gij aan de linkehand, het Stadjen Eindhoven, en aan de regte zijde, ook ſchuins voor U, het Dorp Woenſel. – Verbeel U, dat een talloos getal van vogeltjens rondöm U heên fladderen, terwijl zij hunnen Schepper hun morgenlied toezingen, doch dat hunne kunstlooze toonen gedeeltelijk verdoofd worden, door het gedruisch des vallenden waters – ô hoe verrukte mij dit alles! – Welk een' vuurigen dank bragt ik mijnen Schepper toe, die mij een gevoelig hart, ook voor het ſchoone in de natuur, gegeeven heeft. –

Hoe