Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/61

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 49 )

beſchouwen, doch eindelijk moest ik, wilde ik niet door en door nat worden, mij met verdubbelde ſchreden voordſpoeden; ik kwam bij een ellendig, langs den weg ſtaande, hutjen; hier verzocht ik, wijl het reeds ſterk regende, eene ſchuilplaats, en deeze wierd mij ook vergund. – Het donderen nam hand over hand toe, de bewooners der hut zaten van vrees te beeven. – Toen het onweder zoo ſterk wierd, nam de vrouw een potjen met wijwater, ging in den ſterkſten regen buiten, en beſprengde de vier hoeken der hut, kruiswijze, met hetzelve. – Ik vraagde waaröm zij dit deed, en het antwoord was: "De duivel kan ons nu geen kwaad meer doen, al dondert hij nog zoo ſterk.' – Zoo dikwerf het blikſemde, tekenden zich alle huisgenooten met een kruis; de man las in een allerkleinst boekjen, het geen hij noemde: Sint Jans Euängelieke; het bevatte ſlechts eenige versſen uit Joh. I. dit ook was goed bij een onweder. – De vrouw verwonderde zich, dat ik geen kruis maakte, en zeide: "waaröm doet Gij dit ook niet? of zijt Gij Geus, dit zou ik niet hoopen! – " – Mijn antwoord was: "Ik denk, dat, als hier een ongeluk moest komen, mij dit niets helpen zou. God die dondert, en die zal mij bewaaren, dus zal de duivel, want die kan niet donderen, mij geen ſchade doen, ik vrees voor den duivel niet; en als deeze hut bewaard is door het beſprengen van gewijd water, wat behoeft gij dan bevreest te zijn, dan kan 'er immers geen kwaad aan?" – Dit begonnen zij ook te be-

grijp-
D