Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/68

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 56 )

"Hoe! – zou ik nog mijn medebroed'ren haaten?
Voor wien Gij zelf het leven hebt gelaaten –
Neen! – 'k ſtort voor hun, die mij vertreeden,

Zelfs mijn gebeden."

"Ik zal geen haat met wederhaat vergelden,
Hem, die mij ſcheld, niet ſmaadend weder ſchelden;
Gij, Hoofd der Kerk! waar daartoe veel te teder,

Schold ook niet weder!"

Ik ging dan, na mij een dag drie vier te Geldorp opgehouden te hebben, over Mierlo, waar niets aanmerkenswaardig als een gedeeltelijk vervallen oud Kasteel te zien is, naar Helmond – Ik volbragt deeze reize van Geldorp over Mierlo naar Helmond per pedes Apoſtolorum, of gelijk de Roomſchen in de Majorij zeggen: op den wagen van St. Franciscus, want het weder was ſchoon, 'er waaide een frisch koeltjen, zoodat ik het wandelen zeer ver verkoos boven het rijden op eene kar; want eene kar ſchokt geweldig, en daarenboven kon mijn geduld het langzaam voordſleepen van eene kar niet verdraagen, wijl ik, ſchoon ik langzaam ging, veel ſchielijker kon wandelen, dan eene kar rijd. – Hier te Helmond zal ik mij weêr eenige dagen ophouden, en ook de nabij gelegene Dorpen eens bezoeken. Gij weet nu weêr waar ik ben, en waar Gij mij beſchrijven kunt, ik verwacht dus ten eerſten eenen brief van U, die mij eenig bericht geeft aangaande den welſtand van U, uwe braave Echtgenoote en lieve Kinderen, en in die zekere verwachting mag ik mij noemen geheel de

Uwe.