Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/67

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 55 )

altijd ſchimpte men op de Geuzen, als ik 'er bij was, denklijk omdat men dacht, ſchoon ik alles vermijde; "deeze is ook een verdoemde Ketter!" – Geus, Ketter en dergelijke naamen hebben een en dezelfde betekenis bij de Roomſchen. – ô Mijn Vriend! het griefde mij geweldig, dat ik zulk een ſterken haat onder de Roomſchen, (zij noemen zichzelven altijd Katholijken, als zij met elkanderen ſpreeken) tegen de Hervormden aantrof; hoe kan de menschlievende Godsdienst van Jesus zoo misbruikt, miskend worden, die leert immers liefde jegens allen, zelfs onze vijänden. – Welk een verſchil, welk een onderſcheid tusſchen verëerers en verëerers van Jesus Christus!! Alle Proteſtanten prediken liefde des naasten zelfs tegen belijders van eenen anderen Godsdienst, de Roomſchen integendeel haat, vervolging, vervloeking tegen alles wat buiten hunne Kerk is, zelfs den dood; en dit heeft men zelfs trachten te bewijzen, in de domme eeuwen voor de Hervorming, uit Tit. III: 10., waar de Vulgaat leest Hæreticum devita! dat is: mijd eenen Ketter, maakende hiervan drie woorden, naamlijk: Hæreticum de vita! of: de Ketter uit het leven. – Wanneer ik dit alles overweeg, en den nog niet verſtorvenen haat der Roomſchen overdenk, dan ſtaa ik verwonderd, en zeg dan bij mij zelven: "Kan deeze wel de Godsdienst van den Menſchenvriend Jesus zijn?" Ieder, die zich een Christen noemt, die moet met zijn geheel hart kunnen zeggen:

"Hoe! –
D4