Naar inhoud springen

Pagina:Sieben und siebzig Gedichte Bd.2.pdf/107

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

De wegwijzer


Wat vermijd ik toch de wegen,
Waar die andere trekkers gaan,
Trekken mij verborgen stegen
Door besneeuwde kloven aan?

Dat ik schuw mijn medemensen,
Tegen mij koos géén partij,-
Wat voor dwaze, vreemde wensen
Drijven mij in woestenij?

Staan er wijzers langs de wegen,
Wijzen in de richting stad,
En ik zwerf in wind en regen,
Rusteloos blijf ik op pad.

Eén richting heb ik voor ogen
Staat mij helder voor de geest;
Eén traject moet ik beogen,
Géén is daarvan terug geweest.