Naar inhoud springen

Pagina:Sieben und siebzig Gedichte Bd.2.pdf/96

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Watervloed


Vele tranen uit mijn ogen
Zijn er in de sneeuw gesneefd;
Vlokken hebben opgezogen
Wat ik pijnlijk heb beleefd.

Als het gras wenst te ontspruiten
Waait vandaar een zwoele wind,
Wordt het eenmaal warmer buiten,
Smelt de zachte sneeuw gezwind.

Sneeuw, mijn smachten zal niet tanen,
Dat je mij je loop vertelt.
Volg slechts mijn vloed van tranen,
Dat die stroom met jou versmelt.

Samen door de stad te trekken,
Drukke straten in en uit;
Voel je plots mijn tranen gloeien,
Dan is daar mijn lievelings huis.