Naar inhoud springen

Pagina:Sieben und siebzig Gedichte Bd.2.pdf/97

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Op de rivier


Jij die zo vrolijk ruiste,
Jij heldere, wilde stroom,
Hoe stil ben je geworden,
Wat groet je nu zo loom.

Met harde, stugge korsten
Heb jij je overdekt,
Onbeweeglijk koud lig je
In ‘t zandbed uitgestrekt.

In deze harde mantel
Gekerfd met scherpe kei
Prijkt nu jouw naam mijn liefste
Met dag en uur erbij:

De dag van 't eerste groeten,
De dag waarop ik ging;
Rond naam en cijfers slingert
Zich een gebroken ring.