Pagina:Stijl vol 02 nr 01 p 001-005.djvu/1

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
A­BON­NE­MENT BIN­NEN­LAND 4.50 BUI­TEN­LAND 5.50 PER JAAR­GANG BIJ VOOR­UIT­BE­TA­LING. VOOR AN­­NON­CES WEN­DE MEN ZICH TOT DE AD­MI­NI­STRA­TIE.

MAAND­BLAD GE­WIJD AAN DE MO­DER­NE BEEL­DEN­DE VAK­KEN EN KULTUUR. RE­DAC­TIE THEO VAN DOES­BURG.

AL­LE STUK­KEN DE RE­­DAC­TIE BE­TREF­FENd: K. GAL­GE­WA­TER 3, LEI­DEN. AL­LE STUK­KEN VOOR DE AD­MIN. AD­RES­SEE­RE MEN MORSCH­WEG 20, LEI­DEN, HOL­LAND.

2e JAARGANG.
NUMMER 1.
NOVEMBER. NEGENTIENHONDERDACHTTIEN.

INLEIDING BIJ DEN TWEEDEN JAARGANG.

Het doel van de natuur is de mensch, het doel van den mensch is stijl.

Wat in de nieuwe beelding tot tot bepaaldheid gestelde uitdrukking komt: evenwichtige verhouding van het bizondere tot het algemeene, openbaart zich ook, meer of minder, in het leven van den modernen mensch en vormt de grondoorzaak van de maatschappelijke reconstructie waarvan wij getuige zijn.
Zooals de mensch ertoe gerijpt is zich tegen de overheersching van het individu, de willekeur, te verzetten, zoo is de kunstenaar ertoe gerijpt, zich tegen de overheersching van het individueele in de beelding: natuurlijken vorm en kleur, gemoedsaandoeningen enz., te verzetten. Dit verzet, dat gerijpte innerlijkheid van den geheelen mensch, dat leven in strikten zin, dat redelijk bewustzijn tot grondslag heeft, spiegelt zich af in de geheele kunstontwikkeling en wel in het bizonder in die der laatste vrijftig jaren.
Het was dus te voorzien dat deze sprongsgewijze kunstontwikkeling ten slotte een gansch nieuwe beeldingswijze ten gevolge moest hebben, welke eerst kon verschijnen in en door een tijd, welke geschikt was een geheele omwenteling in de geestelijke (innerlijke) en materieele (uiterlijke) verhoudingen teweeg te brengen.
Deze tijd is de onze en het moment-zijn van een nieuwe beeldingswijze beleven wij heden. Waar zich eenerzijds de behoefte aan een nieuwen, zoowel geestelijken, — in den meest uitgebreiden zin, als materieele grondslag voor kunst en kultuur doet gevoelen en zich anderzijds traditie en conventie, — noodzakelijk begeleidsters van elke nieuwe gedachte of daad, — door een schuwe tegenwerking van het nieuwe, op alle terreinen tracht te handhaven, wordt de taak van hen die hetzij beeldend of beschrijvend van het nieuwe tijdsbewustzijn te getuigen hebben, een belangrijke en moeilijke. Hun taak vereischt onverflauwde energie en volharding, welke door behoudzuchtige tegenstand nog wordt versterkt en aangewakkerd.
Zoo werken dus zij, die opzettelijk een verkeerde uitlegging aan de nieuwe begrippen geven en de nieuwe beeldingswerken beschouwen op dezelfde wijze als zij de impressionistische werken beschouwen, n.l. niet dieper dan het oppervlak, nolens volens aan de grondlegging voor een nieuw levens- en kunstinzicht mede.
Wij kunnen er hen slechts dankbaar voor zijn.

1