Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/169

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 149 )

het werk hadden geſteld, om liefde en verdraagzaamheid voord te planten, nooit waren dan aldaar zulke zaaken, als ik U getekend heb, voorgevallen, dus blijft het gezegde van Haller ook daar bevestigd:

"Geen kwaad geſchied er ooit, dat niet een Priester deed!"

Zijn de Priesters in de Majorij over het algemeen (de goeden uitgezonderd) vervolgzuchtig, hunne Leeken zijn het niet minder, en dit moet van zelfs volgen, want het een vloeit uit het andere voord. – Het volgend ſtaaltjen ſtrekke hier ten bewijze, dat men alles in het werk ſtelt, om de Geuzen in dit Land te vervolgen: – Alle Schoolmeesters hebben op elk Dorp, boven hunne gewoone bezolding, zes-en-dertig Guldens, dit noemt men het Corporeel, dat is: Geld voor zoogenoemde Corporeele dienſten, als bij voorbeeld: het opwinden van het Uurwerk; het ſmeeren van hetzelve als ook van de Klokken; het openen der Kerk; het ſchoonhouden van Vloer, Banken, enz., maar op veele Dorpen heeft men dit geld den armen Hervormden Schoolmeesters, zonder recht of redenen, ontnomen; Roomſche Schoolmonarchen integendeel genieten dit geld zeer gerust en ongeſtoord, zonder dat men hetzelve hun eenigzints betwist. – Moogen Geuzen dit geld niet genieten, dan immers zeker ook geen Paapſchen. – – Welk een haatlijk verſchil derhalven – ! Hoe is het mooglijk, dat

men
K3