Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/170

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 150 )

men zoo partijdig kan handelen?! – doch als men eenen Geus iets onttrekken kan al komt het hem nog zoo billijk toe, dit is eene deugd, en men verdient hierdoor, gelijk ik verſcheidene Roomſchen heb hooren zeggen, eenen Stoel in den Hemel. – – Kan men door onrechtvaardigheid ook den Hemel verdienen? – Wist Gij dit wel, mijn waarde S........!

De Ambtenaaren van den Hervormden Godsdienst in de Majorij zijn ook zeer te beklaagen; men zoekt denzelven op allerlij wijzen den voet dwars te zetten. In voorige tijden heeft men zeer ſterk over de onderdrukking, den Majorijënaars, door de Ambtenaars aldaar, aangedaan, geſchreeuwd; het is zeer wel mooglijk, dat dit plaats kan gehad hebben, doch alle zijn zeker niet ſchuldig aan Volks-verdrukking, ô neen! want 'er zijn veele braaven onder; maar men moet iets voorwenden, om Geuze-Ambtenaars kwijt te raaken. – Ik voor mij zou nimmer ergens, en zeker in de Majorij niet, een Ambt verkiezen. – – Zoo dikwerf ik mij de Majorijſche Geuze-Ambtenaaren voorſtel; zoo dikmaals ik mij herïnner, dat veelen hunner wezenlijk nut aan hunne Inwooners hebben toegebragt; ja! zoo dikwijls ik den haat, dien de Roomſchen, enkel uit verſchil van Godsdienst, hun toedraagen, hier mede vergelijk, dan denk ik altijd aan de woorden van Joost van Vondel[1]:

"Die
  1. Palamedes. Bladz: I.