Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/52

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

(32)

Plaatsjen, het geen gewoonlijk gehouden word voor het juiste middenpunt van Kempenland, doch of dit waar is weet ik niet, ik heb het niet gemeeten. De tooren van Steensel is een zwaar gebouw, doch met eene kleine spits. De grond is aldaar, even gelijk in het grootste gedeelte van Kempenland, zeer zandig, dor en mager; de graanen groeiën 'er derhalven niet hoog of weeldrig, en men vind 'er bijna geen onkruidjen op de akkers. Mij wierd verhaald, dat de rog, op dit Dorpjen gegroeid, altijd éénen stuiver op het vat (zijnde eene zekere maat) meer waardig is dan van andere Dorpen, dewijl hij veel zuiverer, en 'er geen zaad van onkruid onder is. Is het Majorijsch spreekwoord: Die niet mest, die mist ergens waar, dan zeker te Steensel, want zo er geen mest op het Land gebragt wierd, dan geloof ik niet, dat 'er iets zou groeiën, zoo schraal en onvruchtbaar ziet hier het aardrijk 'er uit.

Van Eersel wandelde ik 's morgens om zes uuren naar Berg-eik. Ik begon mijne wandeling zoo vroeg, omdat ik mij daar niet lang wilde ophouden, maar nog denzelfden dag hier te Lommel wilde weezen. – Onder weg, nog niet ver van Eersel af zijnde, wierd ik door een' man achterhaald, die met mij denzelfden weg ging; voor ons op de heide ging een Jood, wij stapten sterk door, kwamen schielijk bij denzelven en gingen hem voorbij; hij zeide ons beleefd goeden morgen en ik hem desgelijks; mijn medewandelaar zeide: dag Smous! lusje wel Spek? de Jood zweeg en ik wierd moeilijk; intusschen

gaf