Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/89

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

( 69 )

mij elken avond, even zoo wel als in het voorleeden jaar verveeld. – Het speelen – het speelen met kaarten, ô! wat is dat verveelend voor mij, en dit geschied 'er echter altijd; men kan 'er mij bijna mede uit een gezelschap jaagen. Ik herinner mij hier de woorden, welke ik eens in den Denker[1] las, en die ik wel der moeite wil neemen, omze voor U af te schrijven: "Zou men niet met recht moogen vraagen, wat voordeel men zichzelven of der samenleving toebrengt met die kundigheid (Kaartspeelen) te oeffenen; en of men den tijd, dien men daaraan ten koste legt, niet met veel meer nut ten dienste zijner medemenschen, of tot verkrijging van kennis voor ons zelven zou kunnen besteeden?" – Iets verder op dezelfde bladzijde zegt gemelde Schrijver: "Zeker is het, ten minsten, dat het daaglijksch gebruik van dergelijke uitspanning, hoe zeer men hetzelve in luiden kan dulden, die geen begrip van verhevener vermaaken hebben, echter zeer weinig aan eenen man van verstand en oordeel voegt." – Genoeg hiervan. – Wij gunnen deeze uitspanning gaarne aan bekrompene zielen, en scheppen meer vermaak in gesprekken, welke onze kunde kunnen vermeerderen en ons hart verbeteren.

Wandelen is hier mijn grootst vermaak. – Ik wandel dikwijls in den tuin van het Kasteel, neem mijnen Kleist of Cronegk mede, en breng dan verscheidene uuren in een Koepeltjen, het

geen
  1. I. Deel. Nom: 13. Bl: 99.

E3