Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/98

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 78 )

Terwijl ik hier van twee doode Roomſche Priesters ſpreek, herinner ik mij eenige plegtigheden, die men bij eenen dooden Pastoor in acht neemt, en welke U denklijk onbekend zijn. Zoodra een Priester geſtorven is, word hij ontkleed, en zijne miskleederen worden hem dan aangetrokken, vervolgends word hij, aldus uitgedoscht op eene tafel ten toon gelegd voor alle nieuwsgierigen; de Roomſchen bezoeken zulk een lijk zeer vlijtig, vallen, zoodra zij 'er bij komen, op hunne knieën, en bidden eenige Pater-nosters en Ave-Maria's bij hetzelve tot rust van de ziel des overledenen, dan – ik vind hier eene groote tegenſtrijdigheid; want een Priester gaat, volgends het gevoelen der meeste, zo niet van alle Roomſchen, zonder Vagevuur terſtond naar den hemel, wat behoeft men dan voor zijne ziel te bidden? doch men zegt: is het niet nuttig noch noodig voor den dooden, dan keert dat nut weder tot den levenden bidder, welken dan zulke gebeden helpen, als hij eens in het Vagevuur is; dus kan men in voorraad werken – is dit niet ſchrander geredeneerd, en kunstig verzonnen? – Word een Priester begraaven, men legt hem, met zijn Misgewaad aan en zijne Preek-muts op het hoofd, in de Kist; men zet een vat met vuur, waaröp Wierook brand, bij hem, en zoo word hij in het graf gelegd. Zie! zoo handelt men in de Majorij met eenen dooden Priester.

Na het beſchouwen deezer graven ging ik langs het Kasteel van Beek naar Gemert. Dit Kasteel

word