Pagina:Tweede reize door de Majorij van 's Hertogenbosch.pdf/97

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 77 )

bij de Kerk, in de Akkers, ſtaat een Kruis van blaauwen Zerk, het Hagelkruis genoemd; het zou deezen naam draagen, om dat het, door eene wonderdaadige kracht, hagel, donder, enz. van de Graanvelden afweert, en dezelve dus beſchermt en beveiligt.

Het Aarleſche Hagelkruis bezien hebbende, ſtapte ik terſtond naar Beek; ook hier ging ik de Kerk eens bekijken, doch 'er is niets bijzonders aan dezelve, alleen zag ik twee graven op den Kerkhof, welke, hoewel oud, nogthands weder met nieuwe graszoden belegd waren; ik vraagde eenen Boer, die hier digt bij werkte, wat dit beduide, en hij gaf ten antwoord: "Dit zijn de graven van onze twee laatſte Pastoors zaliger, deeze maaken wij alle jaaren weder op." – Ik wist nu genoeg, en dacht bij mij zelven: indien dit geſchied enkel uit liefde en hoogächting voor de Overledenen, dan is het zeker prijzenswaardig; doch geſchied het uit, bijgeloof, wat zal dit den geſtorvenen baaten, want zij zullen hier door niet zachter, veiliger rusten, noch 'er door beveiligd blijven voor de alvernielende Wormen – neen! – ô neen!! – trouwens

 "'t Gewormte kent geen ſchoon, geen glans, geen Majeſteit;
 "Het aast op Vorst en Slaaf met de eigen gretigheid;
 "'t Verteert gevoelloos, ſtil, met de eigen ſcherpe tanden,
 "De zachte Maagden-borst, en 't hart van Dwingelanden[1]."

Ter-
  1. R. Feith, bet Graf. IV, Zang, Baldz. 32.