Pagina:Vergif.djvu/127

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
129

eens hoe die ongewone heftigheid van haar man tegen te gaan; zij wist ook niet recht wat Abraham gedaan had; en zij wilde niets vragen nu haar man zóó tegen haar optrad.

Maar toen Abraham eindelijk moe en hongerig thuis kwam, en bleek en gedrukt de huiskamer binnensloop, zei zij tegen hem: "Maar, Abraham! wat hoor ik van je? wat heb je uitgevoerd?"

Abraham keek haar aan; zijn moeder was zijn eenige hoop; maar vóór hij nog kon antwoorden, opende de professor zijn deur en riep hem bij zich binnen.

Mevrouw Wenche hoorde hem met strenge stem aanhoudend spreken; zij kon het niet uithouden; en toch wilde zij nu niet naar binnen gaan; daarom ging zij naar de eetkamer.

"Hoe kun je me nu zoo'n groot verdriet doen, Abraham?" zoo begon de professor ernstig en bijna bedroefd: ik had er zoo vast op gerekend een braaf en nuttig burger van je te maken, een zoon die mij tot vreugde en tot eer zou zijn; en in plaats daarvan begin je al in je jeugd neigingen aan den dag te leggen, die je zekerder dan iets anders ten verderve zullen voeren. Want luiheid, jeugdige lichtzinnigheid en wildheid,—die kunnen met de jaren en door een verstandige behandeling afslijten; maar een oproerige geest is iets wat bijna altijd veld wint, waar het wortel ge-