Pagina:Vergif.djvu/136

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

138

maar zij kon hem toch tegenover zijn vader en de school niet prijzen, omdat hij adjunct Aalbom een duivel genoemd had. Als het van den beginne af niet zoo ernstig opgenomen was geworden, dan had zij er misschien gemakkelijker over heen kunnen glijden door hem eens aan 't haar te trekken en tot kalmte te vermanen. Maar zooals het nu gegaan was, was het een groote kwestie geworden en zij vermocht niet die op te lossen. Intusschen stond Abraham voor haar en zag hij hoe zijn moeder in gedachten verdiept was; en toen zij eindelijk, zelf radeloos, zich omwendde en zag hoe de jongen daar even angstig en onzeker stond, toen wist zij niets anders te doen dan hem in haar armen te nemen, hem naar haar gewoonte heen en weer te wiegen en hem toe te fluisteren: "o arme kleine Abbemand: wat zal er van je worden!"

Hierdoor nog meer van de wijs gebracht, bleef Abraham in spanning; op school werd hij behandeld als een gevaarlijk misdadiger, dien men nog door een goede behandeling wil zien te redden; Aalbom was zelfs zóó vriendelijk dat het Abraham deed koken.

Eerst roemden zijn kameraden hem en voorspelden hem de vreeselijkste straffen. Maar toen alles kalmpjes overwoei en de leeraren even vriendelijk tegen hem bleven, vonden zij uit dat het