Pagina:Vergif.djvu/15

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

17

aan overwinning gewende scharen der latinisten als vastgenageld staan.

Want midden in de wijd geopende deur stond een klein, dik mannetje in een dichtgeknoopte grijze jas, met een groene muts met kleppen en met een bril op; en midden op zijn borst een groote krijtvlek ten gevolge van een uitstekend gerichten slingerworp.

Sprakeloos keek hij van den een naar den ander. No. 1 zat al lang met zijn rug naar alles gekeerd en zijn neus in de grammatica; de slingeraars lieten hun krijtstukken vallen, de zwaar gewapende voetknechten hielden hun linialen op den rug; maar de vertoornde Achilles trok zijn beentjes op, kromp ineen en gleed als een egel langs Abrahams rug naar beneden.

"Ja, ik zal jelui leeren!" riep de rector eindelijk, toen hij zijn spraak terug had, "ik zal jelui leeren om zooveel lawaai en spektakel te maken en allerlei woestheid uit te halen! Wat was dat nu? Wie heeft er aan meegedaan?—er zal nu eens flink gestraft worden! Jij, Broch, jij hebt toch niet meegedaan?"

"O neen," antwoordde No. 1 met een braaf lachje.

"Maar Marius—Marius, jij waart er bij!?" riep de rector bitter; want kleine Marius was zijn lieveling; "hoe kon je toch tot zoo iets komen?