Pagina:Vergif.djvu/168

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

170

ik dit zou willen tegenwerken of dat ik dit als een ongeluk voor hem of voor ons zou beschouwen. Het is juist de oprechtheid die mij alles is. Halfheid, leugen en huichelarij—die wil ik beproeven buiten het leven van mijn zoon te houden."

"Ja, maar als je volkomen oprechtheid wilt, dan moet je ook volkomen vrijheid toestaan."

"Dat doe ik ook; hij mag vrij kiezen."

"Neen—neem me niet kwalijk! je geeft hem geen volle vrijheid om te kiezen als je hem uitsluit van een ontwikkelingsgang die heel de verdere jeugd doormaakt,—of als je hem dien laat overspringen."

"Maar juist die ontwikkelingsgang, zooals je het noemt, is precies de poort die tot leugen leidt;—dat is mijn vast geloof."

"Dat betwijfel ik niet, Wenche! en dat kan zeker ook tegen de aanneming aangevoerd worden; maar hier is nu geen sprake van jou geloof, en evenmin van het mijne, maar wel van dat van Abraham. Het is niet omdat ik zelf—hm—" hun oogen ontmoetten elkaar in den spiegel,—"nu, ik heb eenmaal op het punt van godsdienst een anderen aard dan jij, en toch is het niet daarom dat ik mijn zoon in de christelijke leer wensch opgevoed te zien. Maar geen van ons beiden heeft naar mijn meening het recht om hem iets