Pagina:Vergif.djvu/21

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
23

geest geprent en toen hij een volgenden keer zag, hoe Marius door zijn kameraden geplaagd en door de stinkdieren vervolgd werd, trad hij plotseling als zijn verdediger op en daarna duurde het niet lang of zij waren onafscheidelijk.

Abraham had niets tegen die stille aanbidding; en bovendien was het voor hem die al meer dan een half jaar hopeloos verliefd was, een groote verlichting om zijn verlangen, zijn klachten, zijn hoop en zijn vertwijfeling te kunnen uitstorten in het trouwe hart van kleinen Marius.

Kleine Marius zat hem aan te staren. Wèl had hij Abraham hoog gesteld; maar dat hij zóó groot was, zóó verheven; verliefd, werkelijk hopeloos verliefd, — dat ging Marius’ begrip te boven en dat deed hem wegzinken in eindelooze bewondering.

Het leek hem of hij zelf ook groter werd, nu hij de helft van dit zwaarwichtige geheim torste; en als hij haar op staat tegenkwam, — zij was een van de volwassen dochters van proost Sparre, — dan vestigde hij zijn groote donkerbruine oogen half verwijtend, half geheimzinnig medeplichtig op haar.

Zoo kwam Marius dan op een goeden namiddag om te werken. Abraham zat met het hoofd in de handen, staarde op het tafelblad en scheen niet te merken dat er iemand binnen kwam.