Pagina:Vergif.djvu/236

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

238

Maar het was verre van hem geweest haar op die wijze te willen beleedigen. Dat haar hart zich van hem af kon buigen, dat wist hij,—en dat was immers zijn angst; maar hij wist ook dat zij, als dit eenmaal geschied en haar keus gedaan was, stellig uit zich zelf tot hem zou komen om het hem te vertellen. Ontrouw,—op eenige andere wijze,—daaraan kon hij in ernst bij haar nooit gelooven.

En allerminst geloofde hij dat in het oogenblik, waarin hij diep in zijn gedachten verzonken daar neerzat en op haar staarde.

Zij lag daar zoo rein en zoo stil, zoo groot in haar volvoerd besluit.

Hij zat daar en voelde dat zij nog eenmaal en nu afdoend overwonnen had.

Want dat wat hem in haar oog had opgehouden, was juist dat hij,—niettegenstaande alles wat zij onwaarheid en lafheid noemde,—toch iets ridderlijks behield, wat zij graag mocht en dat zij kon respecteeren.

Maar nu had hij juist in hun laatste samentreffen het leelijkste wat er in hem was naar buiten gewrongen, zichzelf in zijn treurigste beeld vertoond en met dat beeld voor oogen was zij heengegaan.

Hij stond op in de bitterste bitterheid; zijn liefde voor håar was ten naastenbij een brandende