Pagina:Vergif.djvu/260

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

262

waarom moest hij voor de anderen geprezen worden? dat kon nooit goed gaan.

Proost Sparre droogde zijn voorhoofd af en ging verder de rij langs. Zijn eerste ongeval maakte hem dubbel oplettend en de ondervraging liep schitterender dan ooit af. De kapelaan hing voorover en luisterde met stijgende verwondering naar de goede antwoorden van de onmogelijkste idioten, die hij zelf opgegeven had; maar hij viel haast in den preekstoel omver, toen Osmund Absbjörnson Sauamyren zijn zangerige boerenstem verhief en zijn groote bravouraria van de Genademiddelen van het Evangelie voordroeg.

Het duurde in het oneindige voor die twee rijen gehoord waren; een van de jonge dames met een Weener sjaal kreeg het te kwaad en moest naar de sakristie gebracht worden om wat water te drinken.

De vermoeidheid won het langzamerhand ook van Abrahams onrustige en angstige stemming; hij begon zich zekerder te voelen, hij zag de niet te ontwijken oogen niet langer, en daarentegen alleen welwillende gezichten; en toen hij eindelijk tot de plechtige gelofte kwam, voelde hij er niet het minste bij.

"Geef dan Gode uw hart en mij uw hand," zei de proost ernstig en zacht tegen hem, en Abraham reikte hem zijn hand; die van den proost was