Pagina:Vergif.djvu/264

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

266

dus een van hen die het ver kunnen en ook moeten brengen in onze maatschappij.

Maar er is nog een punt en dat ga ik nu, zooals ik hoop voor het laatst tusschen ons, aanroeren; er is maar één ding dat mij zorg geeft. Het is de neiging die zich een paar jaar geleden bij je openbaarde, je weet zelf bij welke gelegenheid. Nu, het is goddank beter afgeloopen, dan het zich liet aanzien; je zaagt je dwaling toen in, en je hebt sedert, voor zoo ver ik kan merken, die weer goed gemaakt. Maar laat ik je toen op dezen voor jou zoo gewichtigen dag nog eens waarschuwen tegen wat er misschien verborgen kan liggen in je bloed.

"Er is, zie je!—in elke maatschappij, zelfs in de best geregelde, een ontevreden element, een bezinksel, een klein troepje, samengesteld voor de eene helft uit dwepers, voor de andere uit misdadigers,—menschen zonder geweten, zonder ware vaderlandsliefde, zonder God! — Waarheen je ook gaat in de wereld, zul je van die menschen ontmoeten. Zij komen,—en daarom juist waarschuw ik je!—zij komen bij voorkeur op als beschermers van de onderdrukten, met mooie woorden over de geringen tegenover de grooten der aarde, en zoo meer.

"Zie je, Abraham!—het zijn die menschen voor wie jij je juist in acht moet nemen; want