Pagina:Vergif.djvu/56

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

58

leerlingen had Pythagoras vóór hij de drie laatste kreeg?—

Ja, dat is wezenlijk niet gemakkelijk te weten te komen, dacht kleine Marius, blij dat hij rustig op zijn plaats zat. En terwijl Broch daarginds op het bord dadelijk begon te scharrelen met ½ x en ⅓ x, verdiepte Marius zich in beschouwingen over de ingewikkelde vraag.

Vooral duizelde het hem als hij las: "te voren;" want het was dan toch de grootste onmogelijkheid om daarop te antwoorden. Vervolgens gingen zijn gedachten medelijdend naar dat arme derde dat wiskunde studeerde, en hij was het met zichzelf eens, dat hij onvoorwaardelijk liever behoord zou hebben tot "de overigen die zich oefenen in het zwijgen."

Hij schrikte wakker doordat hij opgeroepen werd.

De docent had òf gemerkt dat hij in gedachten zat, of in zijn zakboekje ontdekt dat het al lang geleden was sedert Gottwald een vraag had gekregen. Hij liet Broch middenin de berekening weggaan,—die was toch te gemakkelijk voor hem,—en toen Marius half gedachteloos voor het bord kwam, vond hij daar een paar reeksen getallen en xen, waarvan hij niets begreep; alleen schemerde het hem toen hij zag dat er ⅓ stond, dat dit zeker slaan moest op dat ongelukzalige derde deel dat wiskunde studeerde.