Pagina:Vergif.djvu/57

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

59

"Nunc—parvulus Madvigius! quid tibi videtur de matrimonio?" riep Abel en speelde met zijn lorgnet; het is voor jou toch een kleinigheid om die vraag op te lossen; je kent Pythagoras, niet waar? Madvigius! Pythagoras, qui dixit, se meminisse, gallum fuisse. Als 't u belieft, meneer de professor, ga voort, geneer je niet. Ja, want je ziet wel dat het vraagstuk bijna klaar is? Broch zei nog hoe je het vinden kunt, voor hij heenging. Of had de professor misschien wat anders te doen dan te luisteren? De kleine Gottwald moest er liever aan denken dat hij van den zomer over moet gaan en zijn moeder geen verdriet mag doen."

Marius stond met het gezicht naar het groote, zwarte bord, dat midden op den vloer aan posten hing en hij voelde den spot en het gelach van heel de klasse in zijn rug steken. Maar toen zijn moeder genoemd werd, merkte hij dat de warme tranen in zijn oogen kwamen, de krijtstrepen vloeiden over en hij gaf alles op.

De heele klasse—voor zoover die wiskunde kon leeren, vermaakte zich kostelijk; docent Abel was onweerstaanbaar grappig als hij de "sprakeloozen" ondervroeg:—dat was zijn benaming voor hen die geen wiskunde konden leeren.

Alleen Abraham zat zich te ergeren, en omdat het zijn vriend gold en omdat Marius zoo'n