Pagina:Vergif.djvu/97

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

99

en boeren, die voorover lagen en mompelden, wat zij niet begrepen.

Er kwamen vreemde schepen aan de kaaien die in goud gestikte miskleeden meebrachten en altaarvaatwerk en kerkeklokken en krachtigen wijn voor de koele kloosterkelders.

Maar in de nauwe straten en in de schuilhoeken achter den boomgaard, daar loerden de monniken op de meisjes; en terwijl de mis gelezen en er gezongen werd boven in de domkerk, waren er een paar lampen ontstoken in den gewelfden kelder onder de bisschoppelijke kapel; en daar werd ook gezongen, terwijl het wijnvat klokte en de meisjes lachten,—en daar dansten de monniken dat de pijen rondvlogen.

Maar de dans nam een eind en de glans verdween en de meisjes vroegen genade voor de dolle monniken. Op een grooten brandstapel midden voor de kerk werden alle dokumenten van het domkapittel verbrand, papieren en perkamenten met groote waszegels en boeken in goudleer of wit kalfsvel; maar alles wat op zilver en goud leek, werd verzameld, afgehouwen, afgetrokken, afgekrabt tot het laatste stofkorreltje dat glans had en in plaats daarvan kwam er kalk van binnen en kalk van buiten en overal kalk—wit als een lijk, droog en koud.

Nu kwam de beste tijd voor de uilen, terwijl