Pagina:Winkler-Zand en duinen (1865).djvu/115

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

103

HET KONIJN.

konijn wel het eerste moeten zijn waarmede men begint.

Spanje schijnt het land te zijn waar het konijn van oudsher in het wild heeft geleefd: uit dat land is het, naar men wil, getemd naar andere landen van Europa overgebragt; en vervolgens weder verwilderd. In Engeland is dit ten minste geschiedkundig te bewijzen: want al hoewel de tijd der invoering niet naauwkeurig bekend mag zijn, blijkt er toch uit de rekeningen van een groot kloosterfeest in het jaar 1309 gehouden, dat men voor zeshonderd konijnen de toenmaals zeer groote som van 45 pond sterling of 180 gulden betaalde, en dat dus de prijs van een konijn gelijk stond met dien van een varken in dien tijd.

Dat de tamme konijnen van de wilden afstammen, lijdt niet den minsten twijfel. Hoe de eersten in kleur en andere dingen afwisselen, is algemeen bekend. Een ras dat het meest van de oorspronkelijke soort afwijkt, is het konijn met lange, breede, hangende ooren, dat in Engeland bijzonder gefokt schijnt te worden.

Men vangt het wilde konijn in netten of schiet het, of jaagt het door middel van tamme fretten, gelijk wij boven reeds met een enkel woord opmerkten. Deze dieren zijn klein genoeg om in de konijnengangen te kruipen. De jagers spannen netjes over alle uitgangen van het hol, en als de fret in het hol dringt zoeken de verschrikte konijnen, op het zien van hunnen grooten vijand, haastig hun heil in de vlugt en worden in de netjes gevangen. Als echter de fret niet gemuilband was, zou hij het eerste konijn het beste dat hij ving, dooden, en in het hol blijven om het bloed van zijn slagtoffer uit te zuigen.