Pagina:Winkler-Zand en duinen (1865).djvu/130

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

118

KRUIPENDE DIEREN DER DUINEN.

verzoek ik dus den lezer dat boekje ter hand te nemen, ten minste als het zandhoen en zijn verblijf in ons land hem belangstelling inboezemen, wat dat diertje zekerlijk in hooge mate verdient.

Maar genoeg van al die vogels der duinen; tenslotte waarschuwen wij den lezer dat hij niet denken moet al die vogels te zullen zien als hij voor een enkele maal eens de duinen bezoekt: slechts door veel in de duinen te zijn, krijgt men hen nu en dan te zien en sommigen zelfs hoogst zelden.


DE KRUIPENDE DIEREN DER DUINEN.


Na de vogels vorderen de kruipende dieren onze aandacht. Kruipende dieren, reptilen, noemt men zeer ten onregte dieren die gansch niet kruipen, maar snel over het duinzand loopen, sommigen zoo snel zelfs dat het oog hen naauwelijks kan volgen, zoo als de gewone hagedis, Lacerta agilis.

Dit fraaije diertje woont in geheel Europa, behalve in het noorden, overal waar de grond droog en zandachtig is, zoo als op heiden, zandvlakten en duinen. Waar de bodem echter vochtig of moerassig is, vindt men geen hagedis. Kreupelhout en boschjes van doornstruiken zijn hare meest geliefkoosde verblijfplaats. In de eerste warme dagen van het voorjaar ontwaakt de hagedis uit den winterslaap, en komt dan uit de kleine holen van den grond te voorschijn, waarin zij, zamengerold liggende, den kouden winter heeft doorgebragt, om zich te koesteren in den warmen zonneschijn. In Junij legt het wijfje