Pagina:Winkler-Zand en duinen (1865).djvu/131

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

119

DE HAGEDIS.

10 of 12 groote, rolvormige eijeren, die zij met zand bedekt, en waaruit in Augustus de jongen te voorschijn komen.

Het valt moeijelijk om de kleuren van de hagedis te beschrijven, daar zij zoo veel afwisselen. Meestal is het mannetje van boven grijs of bruin met twee lichte strepen, waartusschen eenige rijen van ongeregelde zwarte vlekken gezien worden. De pooten, de zijden van den buik en de snuit zijn groenachtig, hetzij donker- of licht- of geelachtig groen, met zwarte vlekjes. Het wijfje is roodachtig bruin op den rug met eene zwarte streep, en van onderen groenachtig geel en soms helder geel van kleur.

Ofschoon het volksvooroordeel aan de hagedissen vergiftige eigenschappen toekent, zijn zij toch geheel onschadelijke diertjes, die, als zij bijten, niet eens in staat zijn de huid van den mensch te kwetsen. De hagedis leeft van insekten en wormen; zij verschuilt zich als het regent onder dorre bladeren of steenen, doch zoodra de zon weer door de wolken breekt, gaat zij weder op den loer liggen en koestert zich meteen op het warme zand. Zij klimt ook op heesters, en slingert dan den staart om de takjes om zich vast te houden. Die staart breekt echter zeer ligt af: die eene hagedis bij den staart grijpt, houdt dat deel niet zelden tusschen de vingers, terwijl het diertje de vlugt neemt.

De padde die zich op onze duinen ophoudt, is de groene of stinkende padde, Bufo calamita, de crapaud des joncs van de Franschen. Zij is veel kleiner dan de gewone of graauwe padde, Bufo cinereus