Pagina:Winkler-Zand en duinen (1865).djvu/138

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

126

HET PIETERSELIEBEESTJE. HET KOEVINKJE. DE ATLAS.

midden op de vleugels een zwart streepje gezien wordt. Bij het mannetje vindt men bovendien eene vrij groote oranjekleurige vlek, zoowel op de onder- als op de bovenzijde der voorvleugels. De rups leeft op het loof der pinksterbloem of veldkers, Cardamine pratensis, en komt steeds aan den binnenrand der duinen voor.

Uit de bekende groep der zandoogjes leeft op de duinen het veel voorkomende koevinkje, Satyrus hyperanthus; deze vlinder is aan de bovenzijde zeer donkerbruin en heeft op de voorvleugels twee of drie, en op de achtervleugels twee zwarte oogvlekken met witte pupillen en lichtbruine randen. De onderzijde is veel lichter van kleur en vertoont op de bovenvleugels twee, en op de ondervleugels vier of vijf oogen met gele randen. De rups leeft in het voorjaar op gras, zij is bruingrijs met eenige donkere strepen op den rug. De pop hangt met het staarteinde aan een grashalm.

De algemeenste vlinder in Julij en Augustus is de inlandsche atlas, Satyrus semele, behoorende tot de groep der zandoogjes. Zijne vleugels zijn bruinachtig met een gelen dwarsband, die bij het wijfje zeer breed is. Op de voorvleugels staan twee geoogde vlekjes en op de achtervleugels een kleiner vlekje. De onderzijde is grijs en wit gemarmerd met een witachtigen, grijs gevlekten band.

Soms ziet men op eene enkele bloeijende tijmplant een vijfentwintigtal vlindertjes die Thecla ilicis heeten. Ook het aardkapelletje, Polyommatus phlaeas en het gewone blaauwtje, Lycaena Alexis, komen niet zelden zwevende over de duinplanten voor. Met