Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/107

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

MAGNOLIA LENNÉÏ Hybr. hort.

Nat. Familie:

MAGNOLIACEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

POLYANDRIA POLYGYNIA (Veelmannige-Veelwijvige)[1].

 

 

De Magnoliaceën vormen eene uit slechts een tiental geslachten zamengestelde natuurlijke familie, en onder de soorten, uit welke deze geslachten bestaan, is er misschien geene enkele, die niet in een of ander opzigt opmerkenswaardig is. De meeste kenmerken zich door sierlijk gebladerte of door prachtige of zeer welriekende bloemen of zaden, en onder die, welke door hare schoonheid bijzonder uitmunten, bekleedt ontegenzeggelijk het geslacht Magnolia de eerste plaats.

Dit geslacht, aldus door Linnæus genoemd ter eere van Pierre Magnol, die, in 1638 te Montpellier geboren, later aldaar het hoogleraarsambt in de kruidkunde bekleedde en er in 1715 stierf, mag vrijelijk onder de uitgelezenste van het plantenrijk gerekend worden, en bevat een aantal soorten, die eene eereplaats in onze tuinen overwaardig zijn.

Deels in de meer Zuidelijke Staten van Noord-Amerika, deels in Oostelijk Azië te huis behoorende, zijn wel is waar de meeste, maar toch niet álle voor ons klimaat geschikt, en kunnen enkele er van, die zich voornamelijk van de overige, die alle afvallende bladeren hebben, daardoor onderscheiden, dat ze hare lederachtige bladeren zoowel 's winters als 's zomers behouden, alleen als zoogenaamde koudekas-planten in aanmerking komen. Onder deze staat zonder eenigen twijfel de prachtige grootbloemige M. (Magnolia grandiflora Linn.) aan de spits, terwijl zich mede de struikachtige M. fuscata Andr., door hare wel is waar slechts kleine, bruine, doch liefelijk geurende bloemen onderscheidt.


  1. Zie de Noot onder bladz. 25.
15