Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/121

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

67

Wanneer men een bloeijenden tak eener grootbloemige plant, b.v. die der op de volgende plaat afgebeelde Rhododendron, vóór zich heeft, dan herkent men daaraan zonder eenige moeite eenige in 't oogloopend verschillende organen.

Vooreerst de bladeren en vervolgens de bloemen.

En dan ziet men tevens dat elke afzonderlijke bloem weder uit verschillende organen is zamengesteld, nl. de kelk, bestaande uit eenige kleine groene blaadjes, die hier te zamengegroeid zijn tot een éénbladerigen, vijfspletigen kelk; vervolgens de bloemkroon, hier uit vijf groote roodgekleurde blaadjes zamengesteld, die eveneens ter helft ongeveer met elkander zamenhangen; vervolgens de meeldraden en eindelijk, in 't midden der bloem, de stamper.

Al beziet men die organen nu ook nog zoo goed, altijd namelijk in eene zuivere bloem, zooals die van pl. 18, dan zal men er toch maar schaars eenige overeenkomst tusschen vinden; het meest gelijken nog de meeldraden en de stamper op elkander; maar, behalve dat deze veel langer is, is hij ook steviger van bouw, is hij van onder tot het vruchtbeginsel vervormd en loopt hij aan zijn top in een kleverigen kop uit, terwijl de meeldraden dáár van een stuifmeelbevattend helmknopje voorzien zijn.

Het moest dus wel vreemd klinken, toen daar, in 't jaar 1790, een gevierd Duitsch dichter met de stelling optrad, dat al die verschillende organen typisch als één en 't zelfde moeten beschouwd worden, maar die eigenaardige gedaanteverwisselingen of metamorphosen ondergaan, omdat ze zeer gewijzigde bestemmingen hebben.

Dat men zulks dan ook aanvankelijk algemeen niet maar voor goede munt aannam, is gewis ook geen wonder: dat sommigen er niets anders dan eene uitspatting van het dichterlijk genie in zagen, kan ons evenmin bevreemden; intusschen bleek het weldra dat Gœthe goed gezien had en wordt zijne stelling thans door niemand meer in twijfel getrokken.

De bloem, dit zal wel niemand tegenspreken, is het hoogste, het edelste deel der plant. Zij toch is het middel ter voortplanting der soort, want op haar volgt de vrucht; deze laatste is van 't vooraf bestaan der bloem ten eenemale afhankelijk.

Dat bestaan, die ontwikkeling der vrucht en de daarin besloten zaden, is het gevolg van de hoogst merkwaardige werking op elkander van de beide verschillende organen, die binnen de bloemkroon gevonden worden, van meeldraden en stamper.

Die beide organen moeten dus wel veel van elkaar verschillen, willen ze aan hunne bestemming kunnen voldoen.

Nu merkt men echter algemeen in de natuur op, dat, waar zelfs een aantal zeer uiteenloopende doeleinden met één en 't zelfde middel kunnen bereikt worden, daartoe geen twee middelen worden aangewend.

Zoo ook hier. Een wortel, een stengel en een blad, ziedaar al de wezenlijk verschillende deelen waaruit 't geheele plantenrijk gevormd is.

Om bloemen voort te brengen, had de Natuur aan de bladeren genoeg. Deze toch bezitten de eigenschap, om zoovelerlei vormsveranderingen te ondergaan, dat ze, verschillend gewijzigd, en op bepaalde wijze gegroepeerd, de bloem daarstellen met al haar onderdeelen.