Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/122

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

68

Verschillende planten leveren daarvan in verschillende opzigten het bewijs.

Nú eens ziet men de kelkbladeren weder den vorm van de wezenlijke bladeren aannemen, zooals bij sommige Rozen; dan weder worden de bloembladeren min of meer bladachtig; ook hiervan levert de aan sommige lezers welligt bekende groene Roos, een eigenaardig voorbeeld. Ziet men de dubbele bloemen van sommige Pruim- of Amandelsoorten, dan vindt men in 't midden daarvan, in stede van een stamper, een zeer klein blaadje; een blad echter, hoe klein ook, zonder eenigen twijfel. De stamper ging tot zijn normalen vorm terug.

Van die verandering van meeldraden tot den bladvorm, in bloembladeren namelijk, leveren de bloemen van de hier besproken Rhododendron verrassend schoone bewijzen.

Deze heeft namelijk half gevulde bloemen. Zoodanige toestand der bloem is gemeenlijk het gevolg daarvan, dat een deel der meeldraden in bloembladeren veranderden, zoodat men in volkomen gevulde bloemen dan ook doorgaans geen enkele meeldraad vinden zal, wijl ze hier alle in bloembladeren overgingen.

In de bloemen dezer Rhododendron nu treft men nog bij afwisseling goed ontwikkelde meeldraden aan, nevens andere, die de verschillende overgangsvormen tot een zuiver bloemblad aantoonen.

WitteHeinrichFlora1868Page68Image.png

Bij de hier afgebeelde ziet men bij a een volkomen ontwikkelde meeldraad met het helmknopje, dat er afzonderlijk, vergroot, nevens geplaatst is; bij b is de meeldraad aan haren voet blad achtig en het helmknopje veel kleiner geworden; bij c en d gaat dat voort; men herkent het helmknopje nog altijd duidelijk; bij e—i is alleen nog maar eene plek te herkennen waar het bladachtige orgaan wat meer gezwollen is, en die dus nog op beginsel van dit orgaan wijst; bij k echter is zelfs elke zweem van 't helmknopje verdwenen. De meeldraad ging in een volkomen bloemblad over.

Vrij algemeen wordt dit eene abnormale ontwikkeling genoemd, en dit is ook zoo, zoolang men de meeldraad als den normalen toestand beschouwt. Het is echter veeleer een teruggang tot den typischen- den blad-vorm te noemen, maar in welken staat ook de functie van de meeldraad natuurlijk vervallen moet.

Zien we echter in zulke abnormale gevallen de meeldraad weder blad worden, dan kunnen we er toch wel niet aan twijfelen of het blad—onverschillig of men daar een gewoon of een bloemblad door verstaat—kan, waar de eischen van 't leven der plant dit medebrengen, in een meeldraad overgaan.

In het volgende artikel kom ik nader op de hier afgebeelde Rhododendron terug.