Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/131

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

GUNNERA CHILENSIS Lam.

Nat. familie:

GUNNERACEÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

DIANDRIA DIGYNIA (Tweemannige-Tweewijvige)[1].

 

 

De plant, die in den jongst verloopen zomer in het park van het kasteel Endegeest, nabij Oegstgeest, toebehoorende aan Jhr. Mr. D.T. Gevers van Endegeest, even als reeds een paar jaren achtereen, de bewondering wegdroeg van elk die in de gelegenheid was haar te zien, en naar eene photographie van welke de nevensstaande plaat geteekend werd, beveelt zich zeker wel het minst door hare bloemen aan; maar behoort daarentegen tot die, welke in de allereerste plaats in aanmerking komen om, door de kracht harer ontwikkeling, en de buitengewoon groote, sierlijk gevormde bladeren, aan tuinen of plantsoenen van eenige uitgestrektheid een schier onovertrefbaar sieraad bij te zetten.

Het geslacht Gunnera—door Linnæus aldus genoemd naar J. Ernst Gunner, die in het midden der 18de eeuw bisschop te Drontheim was, alwaar hij in 1773 overleed, en die ook als kruidkundige bekend is—vormt, volgens de beschouwing der tegenwoordige kruidkundigen, eene eigene familie, tot welke conclusie eerst Endlicher kwam, nadat zijne voorgangers het nu in deze, dan weder in eene andere familie eene plaats gegeven hadden.

Niet veel beter ging het met de pogingen om dit geslacht thuis te brengen in het sexuëele stelsel; daar Linnæus zelf van gevoelen was, dat het behoorde tot de 20e Klasse, terwijl achtereenvolgend anderen het in de 22e, vervolgens in de 21e en eindelijk in de 2e Klasse plaatsten.

Dat die zaak dus nog al moeijelijkheden medebrengt laat zich ligtelijk begrijpen, en daarom zal 't zeker maar het voorzigtigst zijn, dit hier niet te gaan napluizen, te meer daar die uiterst kleine bloempjes aan de meeste lezers toch zeker niet veel belangstelling zullen inboezemen.


  1. De Klasse der Tweemannige, de tweede van het Linnæaansche stelsel, bevat alleen die planten in welker bloemen twee vrije meeldraden gevonden worden.—De Orde der Tweewijvige wijst natuurlijk weder op twee stijlen.
19