Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/134

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


te worden, wil men zich niet aan groote teleurstelling in den volgenden zomer blootstellen.

't Best kan hiertoe eene mand dienen die zóó breed en hoog is, dat de plant er, nadat de bladeren en bloeiwijzen in 't najaar afgesneden zijn, ruim onder kan staan, maar meer ook niet. Zoodra men voor nachtvorsten vreest, plaatst men er die mand over, en neemt haar overdag er weder af. Eerst wanneer strenge vorst intreedt, laat men de plant ook over dag eronder en bedekt men de mand met eene goede bladlaag.

Het gevaarlijkste tijdstip is echter het vroege voorjaar. De Gunnera begint namelijk reeds zeer vroeg hare jonge bladeren te ontwikkelen, en het is van het grootste belang dat die eerste bladeren behouden blijven, daar zij het eigenlijk zijn, die later de sterkste ontwikkeling verkrijgen. Lijden deze in 't voorjaar, dan kan men zeker zijn dat het sieraad van dit gewas voor een jaar verloren is.

Blijft de plant echter te lang bedekt, dan worden die jonge bladeren geel en zwak; stelt men ze daarentegen te vroeg aan de lucht bloot, dan loopt men gevaar dat ze door de scherpe nachtkoude beschadigd zullen worden, of zelfs geheel bevriezen zullen.

Men kan dit gevaar echter gemakkelijk ontgaan, door slechts bij tijds, al naar het weder dit toelaat, de bladbedekking van de mand weg te nemen. Hierdoor heeft de lucht dan vrijen toegang tot de plant, zonder dat deze van den wind of zelfs van eene matige nachtvorst iets te lijden heeft, terwijl de groei tevens getemperd wordt. Na verloop van een paar weken neemt men 's morgens, als het weder althans niet helder is, de mand weg om die er 's avonds weder over te plaatsen. Ik zeg: als het weder niet helder is, daar de jonge, in hare eerste ontwikkeling verkeerende bladeren ligt door de zon getroffen worden, en dan evenzeer verloren zijn. Na hiermede eenigen tijd te zijn voortgegaan—natuurlijk wat korter of langer, 't welk afhankelijk is van de weersgesteldheid—kan alle bedekking als overbodig beschouwd worden. Thans begint men de plant ruim te begieten, en de nu volgende, krachtige ontwikkeling zal deze schijnbaar omslagtige, maar inderdaad niet veel beteekenende moeite, ruimschoots beloonen.

De vermenigvuldiging geschiedt zeer gemakkelijk door het wegnemen der jongere zijspruiten—de vertakkingen van den wortelstok—waarbij men echter zooveel mogelijk zorgen moet de wortels der plant zelf niet te beschadigen. Dit moet geschieden zoodra de bedekking van de plant afgenomen wordt, waarna men de jonge planten gewoonlijk eenigen tijd in een pot houdt. Neemt men echter een grooter deel van de plant af, dan plant men dit onmiddellijk in den open grond, daarbij zorg dragende voor schermen zoowel tegen scherpen wind als tegen zonneschijn, en het begieten, hoewel aanvankelijk matig, niet vergetende.