Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/300

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

186

het geval is, slechts spaarzaam bloeit en dan het glanzend groen der bladeren slechts hier en daar door de bloemen op levendige wijze wordt afgewisseld; 't zij hij nog jong en maar juist bloeibaar, of reeds tot een zwaren boom met eene digte, genoegzaam ronde kroon ontwikkeld is, waarin grootere en kleinere vogels zoo rustig hunne nesten zamenstellen, om er ongezien en ongestoord te broeden en hunne jongen op te voeden, en tusschen welker zeer digte takken de lijsters zich in 't najaar, zelfs als de meeste bladeren reeds afgevallen zijn, zoo veilig wanen, terwijl ze zich te goed doen aan den overvloed van vruchtjes; 't zij eindelijk de oude oorspronkelijke soort hare witte, of de velerlei verscheidenheden hare zacht roze of helder karmijnroode, enkelde of dubbelde bloemen doen ontluiken, de Meidoorn is en blijft de Meidoorn, geliefd van rijk en arm, van jong en oud.—

Ik heb reeds vroeger gezegd dat een groot gedeelte der soorten, waaruit het geslacht Cratægus bestaat, en waarvan er vele in de tuinen van Europa voorkomen, oorspronkelijk in Noord-Amerika thuis behoort, terwijl enkele andere in Europa wild groeijend aangetroffen worden. Tot deze laatste behoort mede de gewone Meidoorn, kruidkundig als Cratægus Oxyacantha bekend. Deze is met nog eene, daaraan zeer na verwante soort, de éénstijlige Doorn (Cratægus monogyna), de eenige vertegenwoordiger ervan in ons vaderland.

De gewone Meidoorn heeft witte bloemen, omtrent welker zamenstelling en bouw ik boven (bldz. 30 en 31) reeds genoeg meen medegedeeld te hebben, zoodat ik dit hier wel gerustelijk en zonder mij aan nalatigheid schuldig te maken, stilzwijgend kan voorbij gaan. Ik geef daarom de voorkeur aan eene zeer beknopte beschouwing van een paar variëteiten van dezen boom, die in gekweekten toestand in de Europesche tuinen aangetroffen worden.

Is reeds de gewone Doorn zeer fraai, inzonderheid wanneer hij zich als een goed ontwikkelde boom voordoet, hij is toch op verre na de schoonste niet, en, hoe grootsch het effect moge zijn door hem te weeg gebragt, als hij zich met zijn Meigewaad getooid heeft; er zijn er die zich dán veel prachtiger voordoen, ofschoon deze ook niets anders zijn dan wijzigingen der gewone soort, alleen daarvan verschillende door de kleur, somtijds ook door den vorm of min of meer door de grootte der bloemen, terwijl ook de bladeren van de eene variëteit wel eens wat grooter, wat dieper ingesneden of glanziger willen zijn dan die van de andere: wijzigingen evenwel, welke die verscheidenheden geenerlei aanspraak kunnen geven op den naam of den rang van afzonderlijke soorten, gelijk dan ook trouwens de afkomst van onderscheidene te goed bekend is om dienaangaande den minsten twijfel over te laten.—

De hier afgebeelde variëteit, de bloedroode (Cr. Oxyacantha punicea), is de fraaiste van alle welke ik ken, en moeijelijk inderdaad zal men een boom vinden, zóózeer berekend om de bewondering van den verrasten beschouwer op te wekken dan deze.

Ik geloof niet dat men ergens nog boomen van eenige zwaarte hiervan aantreffen zal; althans ik zag ze nog niet anders dan van middelbare grootte, maar ze behoeven niet groot te zijn—hoewel ze dat toch zonder eenigen twijfel worden zullen, zoo goed als de soort zelve—om rijk te bloeijen.

In den Leidschen hortus staan er twee, één van circa drie en een van nog geen twee el hoogte, die reeds sedert ettelijke jaren ieder voorjaar in toenemende mate bloeijen en, hoewel geen van beide op eene in 't oogloopende plek staande, nooit misten de opmerkzaamheid te trekken. Toen