Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/313

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

195

soorten dezer hoogst sierlijke planten in hun tuin bezitten, gewis vaak zullen opgemerkt hebben; bij enkele andere, zooals bij de vroeger vermelde Iris Kæmpferii, is hij minder sterk ontwikkeld en blijft hij steeds in den grond verborgen.

Die Irissen, welke zich dáárdoor onderscheiden, dat ze zich uit bollen ontwikkelen, maken verre het minderdeel uit, ja, het soortental daarvan is zelfs vrij beperkt. In de tuinen zijn een tweetal vrij algemeen bekend, onder de namen: Spaansche en Engelsche Iris.

Beide, hoewel soortelijk goed onderscheiden, komen in groeiwijze nog al met elkander overeen.

De Spaansche Iris (I. Xiphium, ook Iris hispanica genoemd) die in Spanje in 't wild groeijende en ook in Algiers gevonden wordt, is evenwel, wat al hare deelen betreft, minder forsch van ontwikkeling dan de andere. De bladeren, hoewel vlak, zijn naar binnen omgeslagen en gelijken daardoor rondachtig; ze zijn vrij lang en zeegroen van kleur. De stengel bereikt ongeveer 60 centim. hoogte, en de bladeren ontspruiten niet uit den bol, maar zijn aan den stengel bevestigd, dien ze met hun voet kokervormig omvatten.

De oorspronkelijke kleur van de bloemen der Spaansche Iris is licht paars, maar de talrijke hybriden leveren in hare bloemen eene zeer groote verscheidenheid van kleur op, waarin het geel, oorspronkelijk slechts eene vlek op het midden van de drie buitenste bloembladen, ten laatste heerschende geworden is. Een vluchtige blik op onze plaat, waarop een vijftal verschillende afgebeeld zijn, is voldoende om zich daarvan te overtuigen; intusschen, zelfs al bevindt men zich voor de rijkste en meest gevarieerde collectie, dan nog treft het de opmerkzaamheid, hoe zeer, ondanks de groote afwisseling van tinten en kleuren, toch altijd de gele kleur in die bloemen den boventoon voert.

En moeijelijk inderdaad zal men een ander plantengeslacht of beter eene bepaalde soort vinden, waarin zooveel kleuren in zooveel schakeeringen aangetroffen worden; maar bovendien, welke bloem men hiervan ziet, zelfs de lichtpaarse, ja, de zuiver gele—en 't geel is toch anders niet de meest gezochte kleur in de bloemen—altijd zijn ze fraai, prachtig zelfs in hooge mate.

Die kleurschakeering is niet zoo sterk bij de zoogenaamde Engelsche Irissen (I. Xiphioïdes, in den handel ook wel onder den naam Iris anglica voorkomende). Ook deze soort komt wel is waar in talrijke kleuren voor, maar deze liggen alle tusschen wit en donker paars. De gele kleur wordt—althans zoover mij bekend is—in deze bloemen volstrekt niet aangetroffen. Hier daarentegen heerscht het blaauw, 'twelk aan den eenen kant in donker paars, aan den anderen kant in zeer licht blaauw tot zelfs in wit overgaat.

Welke van beide de meest aanbevelenswaardige is, valt, dunkt mij, moeijelijk te zeggen; beide zijn aanbevelenswaardig en dat wel in hooge mate. De bloemen der Engelsche Irissen zijn grooter maar de Spaansche leveren oneindig meer kleurverscheidenheid op.

Ten opzigte der eerste mag ik niet vergeten hier op te merken, dat de naam Engelsche Irissen onjuist is, daar deze soort eveneens in Zuidelijk Europa, en inzonderheid ook in Spanje gevonden wordt, 't Schijnt echter dat zij allereerst in Engeland, waar zij (volgens Loudon) reeds sedert 1571 bekend is, als sierplant gekweekt werd en welligt van daar meer algemeen verspreid is geworden.