Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/329

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
 

PYRETHRUM ROSEUM Bieberst.

Nat. familie:


COMPOSITIÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

SYNGENESIA SUPERFLUA (Overbodig-Zaâmhelmige.)[1].

 

 

Ziehier eene plant, Lezer, die, na lang in hare waarde miskend te zijn, of liever, hoewel in de tuinen hier en daar aanwezig, genoegzaam onbekend te zijn gebleven, eindelijk, en dat wel pas in de laatste jaren, naar verdienste gewaardeerd is geworden.

Reeds in 't begin dezer eeuw uit den Kaukasus, haar vaderland, herwaarts gebragt, kon ze het niet verder brengen dan tot het innemen van een bescheiden plaatsje in de botanische tuinen; de meeste kweekers kenden haar niet en leerden haar niet kennen, en de liefhebbers natuurlijk nog veel minder, tot eindelijk, nu ongeveer een twaalftal jaren geleden, een Belgisch bloemist, die haar welligt toevallig hier of daar in eene wetenschappelijke inrigting had zien bloeijen en begreep dat er meer in die plant stak, dan haar zeer bescheiden uiterlijk oppervlakkig deed vermoeden, zich harer aantrok en er weldra, door zaaijing en verdere doelmatige behandeling, in slagen mogt er eenige verscheidenheden van te winnen, die, in den handel gebragt, onmiddellijk gereeden ingang vonden, zoodat het zelfs niet lang duurde of de plant kwam in de mode; tengevolge waarvan hare verdiensten nu evenzeer overdreven als vroeger geïgnoreerd werden.

Wanneer we ons echter de geschiedenis herinneren van sommige dichters, schilders of andere weleer miskende, en later gevierde, niet zelden boven hunne verdiensten gevierde kunstenaars, dan kan ons dit verschijnsel, waar het eene plant betreft, zeker niet zeer verwonderen; maar we


  1. Zie bladz. 45. Die der Overbodig Zaâmhelmige is de tweede Orde der 19e Klasse van het Linnæaansche stelsel. De planten, welke er toe behooren, kenmerken zich hierdoor, dat hare bloemkorfjes (zie bladz. 46) uit tweeërlei bloemen bestaan, namelijk uit grootere, zoogenoemde lintvormige randbloempjes, die geen meeldraden maar een stamper bevatten, en dus vrouwelijk en vruchtbaar zijn, terwijl de binnenste kleineren buisvormige schijfbloempjes èn stamper èn meeldraden bevatten, bygevolg tweeslagtig en vruchtbaar zijn.
52