Flora (Witte 1868)/12

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
11 Flora: Afbeeldingen en beschrijvingen van boomen, heesters, éénjarige planten, enz., voorkomende in de Nederlandsche tuinen van Heinrich Witte

12. Echinacea purpurea

13


[ Pl 12 ]
 

Pl. 12: ECHINACEA PURPUREA moench.

 
[ 45 ]
 

ECHINACEA PURPUREA Mœnch.

Nat. Familie:

COMPOSITÆ.

Klasse en Orde van LINNÆUS:

SYNGENESIA FRUSTRANEA (Vruchteloos-Zaâmhelmige)[1].

 

 

Wèl is het weder eene oude bekende, die ik thans de vrijheid neem aan mijne lezers voor te stellen; immers, na in 1699 uit Noord-Amerika in Europa ingevoerd te zijn, kende de waardige William Curtis haar reeds in 1793[2] de eer toe, tot weinige uitverkorenen te behooren, die bij de beminnaars van planten en de kruidkundigen te gader een plaatwerk zouden inleiden, 't welk sedert wel is waar, nadat de dood den eersten grondlegger ervan had weggenomen, door de zorg van anderen wordt voortgezet, maar in de zes en zeventig jaar van zijn bestaan niet alleen niets in de algemeene schatting verloren heeft, maar integendeel nog steeds roemvol zijn goeden naam staande houdt.

In de eerste aflevering namelijk van het Botanical Magazine vinden we op de tweede plaat reeds eene vrij goede afbeelding van de plant welke ons thans bezig houdt.

Vergis ik mij echter niet, dan is zij, hoe lang ook reeds in Europa bekend, voor velen nog eene vreemdelinge; hoe dit ook zij, zeker is het dat ze eene zeer fraaije burgeres onzer tuinen is, en als zoodanig eene plaats in dit album overwaardig.

Het gaat, en dat kan trouwens niet anders, met de waardeering van de schoonheid der [ 46 ] planten en bloemen zooals 't in dit opzigt met alles gaat. Wanneer men iets, wat zich reeds bij den eersten aanblik als sierlijk aan ons oog voordoet, ziet, dan mag men het mooi vinden zooveel men wil, de eigenlijke schoonheidswaarde wordt voor ons steeds aanmerkelijk verhoogd, als men meer bepaald weet wat men ziet.

Men zal een goed geschilderd portret roemen als een meesterstuk; wanneer men verneemt dat het een bekend of beroemd persoon voorstelt, krijgt het onmiddellijk dubbele, driedubbele waarde. Een landschap, een stadsgezicht of iets dergelijks kan zoo meesterlijk uitgevoerd zijn, dat het de bewondering ten hoogsten top voert, als daar iemand achter u staat, die u toefluistert dat aan die plek deze of die voorname historische herinnering verbonden is, wordt die schilderij u dubbel waard, enz.

Daarom, en wijl ik, zonder onbeleefd te zijn, vermoeden kan, dat vele lezers van dit werk met den eigenaardigen bloemvorm van deze plant en welke vorm toch zeer algemeen is, niet dan oppervlakkig bekend zijn, mag het niet ongepast zijn hier aangaande de zamenstelling er van het een en ander in 't midden te brengen.

't Zij men een blik werpt op de nevensstaande plaat, 't zij men de geheele plant bloeijende voor zich heeft, men ontvangt, tenzij men zich wat meer of wat minder met de beoefening der kruidkunde hebbe bezig gehouden, den indruk, dat men hier te doen heeft met vrij groote, roode bloemen, welker meer naar binnen geplaatste deelen afwisselend bruin en geel zijn; en toch, de bloemen dezer plant zijn voor het meerendeel zóó klein, dat iemand, die niet goed van gezigt is, de meeste ervan naauwelijks met het bloote oog afzonderlijk goed onderscheiden kan; een klein gedeelte is iets grooter, maar dan van een van de gewone bloemvormen tamelijk afwijkend maaksel.

Reeds de naam der familie van het natuurlijk plantensysteem, die der Zamengesteld-bloemige of Compositæ namelijk, waartoe deze plant behoort, geeft eene gedeeltelijke verklaring van die vergissing, waarom men deze benaming dan ook als zeer gelukkig gekozen kan rekenen. Elke schijnbare bloem toch is hier eene vereeniging van een groot aantal bloemen; nu eens, gelijk in dit geval, van tweeërlei vorm, dan weder, zooals bij de Paardebloem, de bloemen van de Andijvieplant, van de Schorzeneeren en een aantal andere, alle van één en dezelfde gedaante.

Wat men hier oppervlakkig voor ééne bloem zou groeten is eene bloeiwijze, even als de uit honderd en meer bloemen zamengestelde pluim van den Sering of van den wilden Kastanjeboom eene bloeiwijze is; maar, zijn de afzonderlijke bloemen bij deze laatste en over 't algemeen bij de meeste planten, groot genoeg om ze gemakkelijk afzonderlijk als zoodanig te onderscheiden, en bovendien zoodanig gerangschikt, dat elke vergissing in dit opzigt onmogelijk wordt, bij de Zamengesteld-bloemige, eene der rijkste plantengroepen en die over de geheele aarde verspreid is, zien we ze daarentegen op eene voor het oog zeer bedriegelijke wijze zamengevoegd, zoodat het geheel zich werkelijk als ééne bloem voordoet.

Deze schijnbare overeenkomst wordt des te grooter, daar de geheele bloeiwijze, die men zeer eigenaardig een „bloemkorfje" noemt, door een omwindsel van groene blaadjes omgeven is, hetwelk inderdaad geheel het voorkomen heeft van een kelk.

[ 47 ] Zijn nu, zooals hier, de buitenste bloemen veel sterker ontwikkeld dan de binnenste, dan vertegenwoordigen die als 't ware de bloemkroon, en hij, die nu niet weet welke organen zich binnen de bloemkroon bevinden, heeft, zoo hij meent, ééne bloem voor zich.

Wanneer men echter zulk eene schijnbare bloem uiteenplukt, en de onderdeelen slechts met een weinigje opmerkzaamheid beschouwt, en hiertoe is iedereen in de gelegenheid, daar b.v. de Madeliefjes, de Kamillebloemen, de Zonnebloemen, mede hiertoe behooren, welke laatste inzonderheid daarom verkieslijk zijn, wijl al de onderdeelen er van groot genoeg zijn om gemakkelijk met het bloote oog onderscheiden te worden, dan zal men zonder moeite daaraan de volgende onderdeelen waarnemen.

Vooreerst een zoo genoemde bloembodem, d.i. de uiterste top van den steel, die breed en rond en nú bol, dán vlak is. Somtijds draagt die bloembodem niets anders dan de bloempjes, maar dikwijls ook blijven er, nadat men al de bloempjes ervan verwijderd heeft, een aantal schubjes over, juist zóóveel als er bloempjes waren, aangezien dan elk bloempje van zulk een schubje vergezeld is.

Dit laat zich gemakkelijk begrijpen, wanneer men weet wat die bloembodem eigenlijk is. Hij vertegenwoordigt toch niet anders dan een ineengedrongen bloemsteel. Kon men hem uitrekken, dan zouden de bloemen er omheen staan, en dan in dit geval elk in het oksel van een schutblaadje, 't welk thans tot een schubje is gereduceerd.

Op dien bloembodem nu zijn de bloempjes bevestigd, en dat wel zeer dikwijls van tweeërlei vorm, terwijl dan die welke het middengedeelte innemen, regelmatig, klein, gewoonlijk geel en buisvormig, de buitenste grooter, veelal anders gekleurd en lintvormig zijn.

Niet zelden leveren ze, ook met betrekking tot de meeldraden en stampers, een groot verschil op; immers nu eens zijn, zooals bij de plant die ons thans bezig houdt, alleen de binnenste bloempjes van meeldraden en stampers voorzien, terwijl de buitenste de beide genitaliën missen, dan weder zijn daarentegen de randbloempjes alleen vruchtbaar, of ze zijn het álle, 't welk Linnæus dan ook aanleiding gaf tot de verdeeling van deze Klasse in verschillende Orden.

Eigenaardig is bij deze plant (men treft het echter meer aan) het verschil in vorm van de randbloempjes. Sommige toch zijn zuiver lintvormig, terwijl enkele andere—de bloem ter regterzijde op onze plaat wijst dat aan—tot op of over de helft gesloten zijn. Dit wijst ons dan ook zeer duidelijk op de herkomst van dezen overigens afwijkenden bloemvorm, daar men die bloemen eigenlijk beschouwen moet als sterk ontwikkelde buisbloempjes, maar die aan ééne zijde overlangs opengespleten zijn. Beziet men een lintbloempje, onverschillig van welke plant uit deze familie, dan ook goed, zoo zal men altijd kunnen opmerken dat ze van onderen gesloten zijn, hoe weinig dit ook zij.

De Echinacea purpurea is van ouds bekend als Rudbeckia purpurea, en komt onder deze benaming meer in de tuinen voor dan onder gene. Deze plant behoort oorspronkelijk t'huis in Noord-Amerika, inzonderheid in Carolina en Virginia, en is volmaakt tegen onze winterkoude bestand.

Het is een overblijvend gewas, dat jaarlijks tot aan den grond afsterft, in het voorjaar we[ 48 ] der uitgroeit en in Augustus mild, lang en zeer fraai bloeit. De stengels bereiken ongeveer 2 a 2½ voet hoogte en zijn met naar boven toe steeds kleiner wordende bladeren bezet, terwijl de onmiddellijk uit den grond te voorschijn komende bladeren, wortelbladeren genoemd, ruim twee palm lang zijn en door 2 à 3 palm lange, dunne steelen gedragen worden.

Alleen bij zeer gunstige zomers brengen de bloemen goede zaden voort; de plant is echter, gelijk de meeste overblijvende of vaste planten, gemakkelijk in 't voorjaar door scheuring te vermenigvuldigen .

Ze heeft weinig omvang en is dus met een bescheiden, mits zonnig, plaatsje, in voedzamen grond tevreden; en dat plaatsje is ze overwaard.

 

 
  1. De Klasse der Zaâmhelmige, de negentiende van het Linnæaansche stelsel, omvat al die planten, in welker bloemen de meeldraden niet afzonderlijk te onderscheiden zijn, wijl de helmknopjes in de lengte met elkaar zijn zamengegroeid, terwijl echter de helmdraadjes niet vereenigd zijn. De onderafdelingen of Orden werden door Linnaeus bepaald naar den toestand der afzonderlijke bloemen, welke het bloemkorfje (zie in den tekst) zamenstellen. Bij de Vruchteloos Zaâmhelmige nu, zijn de grootere randbloempjes geslachtloos en bij gevolg onvruchtbaar, terwijl de veel kleinere schijfbloempjes tweeslachtig en vruchtbaar zijn.
  2. Bedoeld is:1787, de eerste jaargang van Curtis' Botanical Magazine; zie: Rudbeckia purpurea (in het complete magazine, Biodiversity Heritage Library). Zie ook: afbeelding op 16 px Commons logoWikimedia Commons (Wikisource-ed.)