Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/90

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

46

planten en bloemen zooals 't in dit opzigt met alles gaat. Wanneer men iets, wat zich reeds bij den eersten aanblik als sierlijk aan ons oog voordoet, ziet, dan mag men het mooi vinden zooveel men wil, de eigenlijke schoonheidswaarde wordt voor ons steeds aanmerkelijk verhoogd, als men meer bepaald weet wat men ziet.

Men zal een goed geschilderd portret roemen als een meesterstuk; wanneer men verneemt dat het een bekend of beroemd persoon voorstelt, krijgt het onmiddellijk dubbele, driedubbele waarde. Een landschap, een stadsgezicht of iets dergelijks kan zoo meesterlijk uitgevoerd zijn, dat het de bewondering ten hoogsten top voert, als daar iemand achter u staat, die u toefluistert dat aan die plek deze of die voorname historische herinnering verbonden is, wordt die schilderij u dubbel waard, enz.

Daarom, en wijl ik, zonder onbeleefd te zijn, vermoeden kan, dat vele lezers van dit werk met den eigenaardigen bloemvorm van deze plant en welke vorm toch zeer algemeen is, niet dan oppervlakkig bekend zijn, mag het niet ongepast zijn hier aangaande de zamenstelling er van het een en ander in 't midden te brengen.

't Zij men een blik werpt op de nevensstaande plaat, 't zij men de geheele plant bloeijende voor zich heeft, men ontvangt, tenzij men zich wat meer of wat minder met de beoefening der kruidkunde hebbe bezig gehouden, den indruk, dat men hier te doen heeft met vrij groote, roode bloemen, welker meer naar binnen geplaatste deelen afwisselend bruin en geel zijn; en toch, de bloemen dezer plant zijn voor het meerendeel zóó klein, dat iemand, die niet goed van gezigt is, de meeste ervan naauwelijks met het bloote oog afzonderlijk goed onderscheiden kan; een klein gedeelte is iets grooter, maar dan van een van de gewone bloemvormen tamelijk afwijkend maaksel.

Reeds de naam der familie van het natuurlijk plantensysteem, die der Zamengesteld-bloemige of Compositæ namelijk, waartoe deze plant behoort, geeft eene gedeeltelijke verklaring van die vergissing, waarom men deze benaming dan ook als zeer gelukkig gekozen kan rekenen. Elke schijnbare bloem toch is hier eene vereeniging van een groot aantal bloemen; nu eens, gelijk in dit geval, van tweeërlei vorm, dan weder, zooals bij de Paardebloem, de bloemen van de Andijvieplant, van de Schorzeneeren en een aantal andere, alle van één en dezelfde gedaante.

Wat men hier oppervlakkig voor ééne bloem zou groeten is eene bloeiwijze, even als de uit honderd en meer bloemen zamengestelde pluim van den Sering of van den wilden Kastanjeboom eene bloeiwijze is; maar, zijn de afzonderlijke bloemen bij deze laatste en over 't algemeen bij de meeste planten, groot genoeg om ze gemakkelijk afzonderlijk als zoodanig te onderscheiden, en bovendien zoodanig gerangschikt, dat elke vergissing in dit opzigt onmogelijk wordt, bij de Zamengesteld-bloemige, eene der rijkste plantengroepen en die over de geheele aarde verspreid is, zien we ze daarentegen op eene voor het oog zeer bedriegelijke wijze zamengevoegd, zoodat het geheel zich werkelijk als ééne bloem voordoet.

Deze schijnbare overeenkomst wordt des te grooter, daar de geheele bloeiwijze, die men zeer eigenaardig een „bloemkorfje" noemt, door een omwindsel van groene blaadjes omgeven is, hetwelk inderdaad geheel het voorkomen heeft van een kelk.