Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/414

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

262

kruidkundigen moet hij wild groeijend in de bergstreken gevonden worden, wat echter nog twijfelachtig is[1]. Hij bloeit in April, maar zijne vruchten komen bijna nooit tot rijpheid, en 't is alleen in het herbarium van den kruidkundige Adatzi Tsiozin, te Jedo, dat ik rijpe vruchten vond. Als sierplant maakt ze in Japan, waar men geene nachtvorsten te vreezen heeft, nog meer effect dan bij ons. Vooral de lange sierlijke takken der dubbelbloemige variëteit zijn er letterlijk met bloemen bedekt. Men onderscheidt er inzonderheid drie variëteiten, die, doorelkander geplant, in alle tuinen kleine boschjes vormen, of tot heggen of omplantingen voor terrassen dienen. De eerste heeft groote enkelde bloemen, die der tweede zijn dubbeld, terwijl die der derde, welker bladeren zilverwit gevlekt zijn, mede enkeld, doch kleiner zijn. De bloemen werden eertijds in de geneeskunde aangewend. Van het merg der takken maakt men kunstbloemen, vogels of andere kleine voorwerpen, waarmede men zich in gezelschap vermaakt, door ze in kopjes met Sake (rijstebier) of thee te laten ronddrijven.[2]

Gedurende langen tijd kende men in Europa geene andere dan de dubbeldbloemige variëteit, welke op de nevenstaande plaat afgebeeld, en zonder den minsten twijfel de schoonste is. Deze werd reeds in 't jaar 1700 in Europa ingevoerd, en behoort tot die fraaije heesters, welke algemeen verbreid en op hunne regte waarde geschat werden; tevens tot die, waarvan het niet gewaagd is te veronderstellen, dat ze niet ligt uit de tuinen verloren zullen geraken; de gewone enkeldbloemige daarentegen, die men slechts weinig in de tuinen aantreft, werd veel later, namelijk in het begin dezer eeuw ingevoerd.

Nog maar weinige jaren is het geleden, dat wij ook die met zilverbonte bladeren voor 't eerst levend leerden kennen, welke kort na haar invoer in Europa bloeide, en toen bleek—wat trouwens Von Siebold reeds gezegd had—mede eene enkeldbloemige te zijn.

Het moge zonderling schijnen, maar 't is daarom toch niet minder waar, dat, niettegenstaande de berigten van dezen, in een werk dat niet tot de zeldzame boeken behoort, en ondanks de beschrijving der enkelde bloemen door De Candolle, die er bij voegt, dat de in de tuinen voorkomende heesters doorgaans dubbelde bloemen hebben, en wiens beschrijving dan ook op gedroogde oorspronkelijke exemplaren berust, terwijl hij zegt alleen de dubbelde levend gezien te hebben, men toch veelal de dubbelde als de eigenlijke Kerria japonica beschouwde, en veronderstelde, dat deze heester nimmer enkelde bloemen had. Toen nu de bontbladerige bleek eene enkelde te zijn, trok men daaruit het zonderlinge gevolg, dat het bont worden der bladeren zoodanig op de bloemen influenceerde, dat deze zich, ten gevolge dáárvan, bij uitzondering normaal ontwikkelden. Dat moest zeker hen, die sedert jaar en dag de groene enkeldbloemige zagen bloeijen, al zeer vreemd in de ooren klinken.

't Is waar, deze is niet zoo fraai als de andere, en komt als sierheester daarom minder in


  1. Waarom dat twijfelachtig is, voegt de Schr. er niet bij; en toch spreekt hij 't niet tegen dat de plant van Japanschen oorsprong is. Nu moge de dubbeldbloemige door kultuur ontstaan zijn, de enkelde zal toch zeker wel ergens wild groeijen, zoodat er, m.i. geen grond bestaat, om niet in dit opzigt op de mededeelingen der Japansche kruidkundigen te vertrouwen.
  2. Von Siebold en Zuccarini, Flora Japonica I, bladz. 184.