Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/476

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

308

zijn iets breeder dan de drie binnenste en bezitten aan hun voet een zakje of spoor, de drie binnenste daarentegen zijn ongespoord.

Bij sommige planten der variëteit, waarvan hier thans in 't bijzonder sprake is, zijn de drie buitenste bloemblaadjes van binnen genoegzaam geheel donker bruin, met uitzondering van hun voet, die wit is met eene kleine gele vlek, terwijl de drie binnenste slechts bruin gestippeld zijn, even als dit met alle zes blaadjes het geval is bij de soort zelve. Men vindt deze ook wel Tric. hirta intermedia genoemd, en beschouwt haar dan als een overgangsvorm tot die welke men Tric. hirta nigra noemde, waarvan al de bloemblaadjes van binnen donker purper zijn. Daar echter die verschillende vormen uit het zaad van ééne en dezelfde plank voortkomen, heeft deze onderscheiding geene waarde.

De meeldraden zijn zes in getal, terwijl de witte, bruin gestippelde helmdraadjes regtop en digt tegen elkaar staan, waardoor het den schijn verkrijgt als waren ze tot een zuiltje vergroeid, wat echter niet het geval is; aan den top zijn ze naar buiten omgebogen, zoodat de lichtpaarse, vrij groote, langwerpige en bewegelijke helmknoppen naar beneden hangen.

De stamper bestaat uit een tamelijk groot, langwerpig, driehoekig vruchtbeginsel, 't welk door de helmdraadjes bedekt is, voorts een kort stijltje dat aan den top driespletig en omgeslagen is, en waarvan elke punt in twee stempels eindigt; ook het stijltje, voor zoover het boven de meeldraden uitsteekt, is wit en met een aantal bruine stippen besprenkeld.

De massa bloemen, welke eene sterke, uit meerdere stengels zamengestelde plant voortbrengen kan, is inderdaad verbazend, zoodat, hoewel de bloemen, daar ze niet zeer lang gesteeld zijn, niet ver uit de oksels der bladeren reiken, de plant toch door die bloemrijkheid onvermijdelijk de opmerkzaamheid trekt; van nabij gezien zijn de afzonderlijke bloemen uitermate sierlijk.

Deze planten zouden gewis zaden in overvloed voortbrengen, als het jaargetijde dan maar niet te ver gevorderd was. Men ziet echter thans wel de jonge vruchtjes zich na den bloei eenigzins ontwikkelen, maar rijp worden ze niet. Overigens heeft men aan zaden geene behoefte, daar deze planten zich uiterst gemakkelijk in het voorjaar door scheuring laten vermenigvuldigen.

In het vorige jaar (1869) werd door de firma von Siebold & Co. nog eene andere soort in den handel gebragt, onder den naam van Tricyrtis macropoda. Deze bloeit reeds in 't midden van den zomer met geelachtige bloemen; zij staat echter, wat de sierlijkheid der bloemen betreft, verre bij de vorige achter.