Pagina:WitteHeinrichWandelBennekom1902.djvu/18

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

5

DE GRINTWEG.

Hoogleeraar in de scheikunde Mulder, die daar zjjn laatste levensjaren, gedeeltelijk helaas blind, gesleten heeft. Het lage, en te midden van 't geboomte gedrukte huis, is nu geheel verbouwd en tot een frisch en goed ingericht hotel ingericht Een enkele blik op dit aan het fraaiste gedeelte van den weg staande kloeke gebouw is voldoende om den wensch te doen opkomen, er eenige warme zomerdagen door te brengen.

Het nu volgende gedeelte van den weg, tot aan het dorp p.m. een kwartier, is open en zonnig, maar de vergezichten blijven aanvankelijk zóó schoon, dat men zich weinig daaraan stoort. Na een goede vijf minuten beginnen de eerste villa's, de meesten met zeer eenvoudige voortuintjes, waarop slechts een paar uitzondering maken. Toch heeft ook dit gedeelte van den weg alweer iets eigenaardig aantrekkelijks; zeker voor een goed doel het gevolg hiervan, dat alles hier een wel is waar onopgesmukt, maar vriendelijk aanzien heeft, en de aangename, opgewekte stemming waarin men geraakte, door geen mistoon verstoord wordt.

Wanneer men voor den afstand van het station naar de kom van het dorp een klein uur stelt, komt men zeker niet te kort. Het hotel Oud Vossenhol bereikt men van het station in een half uur.

Die met mooi weer arriveert, doet verstandig zijn bagage aan 't station te laten en den weg af te wandelen. Een geregelde looper zorgt wel voor de bezorging, als men aan de spoorwegbeambten verzoekt het aan hem tegen bewijs af te geven.

Men komt dan onder een aangenamen indruk in zijn vreemd tijdelijk verblijf, terwijl zulk een niet vermoeiende wandeling na een spoorwegreis aangenaam en tevens een goed begin is.