Pagina:WitteHeinrichWandelBennekom1902.djvu/32

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

13

HOEKELUM.

Het in bouwvalligen toestand verkeerende, op een hoogte tusschen het dichte houtgewas staande kapelletje, trekt nu de opmerkzaamheid. Daaronder bevindt zich een oude ijskelder. Juist de bouwvallige toestand waarin dit gebouwtje verkeert maakt het zeer teekenachtig.

Nog een klein eind volgen we den breeden weg, om, waar deze zich naar het westen ombuigt, een smaller pad een weinig rechts af en dan rechtuit te volgen.

Wü krijgen nu weldra de schijnbaar droge beek aan onze rechterzijde, en volgen die tot aan haar oorsprong. 't Lijkt hier een stuk wilde natuur, altijd schilderachtig, in wolk jaargetijde men er ook komt, waartoe die ravijnachtige, gedeeltelijk begroeide diepte zeker niet weinig bijdraagt.

De beide bruggetjes daarover laat men rechts liggen Aan den oorsprong der beek gekomen, ziet men dal deze niet geheel droog is. Hier stond tot vóór een paar jaren een rustiek tentje, van welke rustplaats door wandelaars een dankbaar gebruik werd gemaakt. Dit heerlijk frissche plekje is steeds veler doel, en er is zooveel gelegenheid om te zitten of half te liggen, dat men den bank bijna niet mist Toch is het jammer dat, nadat de baldadige jeugd het oude tentje in een desolaten toestand had gebracht, zoodat het moest worden afgebroken, er geen plan schijnt te bestaan, iets dergelijks er voor in de plaats te zetten, 't Stond daar als een ware verrassing Hier gaat men rechtsom en daarna links rechtuit (niet het pad rechts). Het eerste nu volgende pad aan de linkerzijde gaat men voorbij; bij het tweede slaat men linksom en na weinige schreden, is men aan liet einde van de bjjna onafzienbaar lange Laarder-allée.

Is het nu heet, zonnig weer, zoodat men liefst zoo lang mogelijk schaduw houdt, dan gaat men het recht