Pagina:WitteHeinrichWandelBennekom1902.djvu/38

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

17

HOEKELUM.

sneden. Het behoort ontegenzeggelijk tot het schoonste gedeelte van Hoekelum, maar wordt zelden bezocht, wijl men op die elkaar gedurig kruisende breede wegen veel kans heeft het spoor bijster te worden.

Na een klein eind rechtuit gegaan te zijn, volgen we hot blijkbaar meest gebruikte voetpad, rechts af (niet den eenigszins oploopenden weg rechtuit), en dan zien we, nadat we ongeveer ¼ cirkel hebben beschreven, dat dit pad door den zoom van het bosch loopt. Hier verlaten we nu Hoekelum en dan staan we op den breeden, zeer ruwen, maar zeer teekenachtigen, vrij sterk oploopenden Hallerbrinksweg; aan de ééne zijde begrensd door de dichte dennenbosschen, waar we uit kwamen, aan de andere zijde door een tamelijk uitgestrekte, naakte heide.

Het torentje van Bennekom zien we nu op betrekkelijk korten afstand schuins rechts vóór ons, zoodat we blijkbaar zullen terecht komen op een punt van den grintweg, ver van dat waar we Hoekelum betraden.

Heeft men nu geen lust om over de hei te gaan, dan volgt men den Hallerbrinksweg rechts af en slaat men bij het derde huisje den zandweg naar het dorp in.

Wij gaan echtor dien breeden zandweg dwars over, en nemen, vlak bij het arbeidershuisje, het voetpad over de hei, rechtuit op een dennenbosch aanhoudende. Dit langs gegaan zijnde, komen we op een breeden zandweg uit. Hier slaan we rechtsom, tot we bij een huisje komen, waar we linksom en dan rechtuit op den grooten grintweg afgaan, en dien dicht bij het dorp bereiken.

Geregeld doorwandelende is men in 1⅓ uur weer te Bennekom. Rust men onderweg een paar keeren even uit, dan rekent men er twee uren voor.