Pagina:WitteHeinrichWandelBennekom1902.djvu/39

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen


 

IV. DE BREUKELERWEG—DE HEIDE.

 

Wandelen wij den grintweg op in de richting naar Hoekelum, dan zien we, even voorbij Oud-Vossenhol, ter rechterzijde een ruwen zandweg, met diepe wagensporen. Het is de Breukelerweg, die ook in Westelijke richting kronkelend door de roggelanden loopt. Aan de rechterzijde, wat hooger, is een gemakkelijk hard voetpad.

Wij volgen dit; roggevelden links en rechts, tot Hoekelum behoorende, en komen weldra in een laan van zware Beuken, mede een deel van het landgoed uitmakende.

Wanneer we deze mooie laan, de Laarderweg (niet te verwarren met de reeds vroeger genoemde Laarder-allée) linksaf insloegen, zouden we in een minuut of vijf bij den koestal, ten Zuiden van het kasteel uitkomen. Een mooie, donkere weg, die wel mag aanbovolen worden.

Dit is echter thans ons doel niet. Wij gaan deze laan dwars over en dus rechtuit, het arbeidershuis aan onze rechterzijde voorbij.

Juist waar de weg zich een weinig naar rechts ombuigt, zien we ter linkerzijde een nog zeer jong dennenbosch; deze plek meent men, op grond van verschillende in den grond gevonden voorwerpen, dat een begraafplaats der Batavieren moet geweest zijn.

Van den grintweg af betraden wij reeds Hoekelum;