Pagina:WitteHeinrichWandelBennekom1902.djvu/54

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
31
SELTERSKAMP EN DE PEMBROEKBANK.

beteekenis van het woord links laten liggen. Ook hier merken we intusschen overal de verspreid staande mooie opslag-Dennen op.

Wij moeten hier goed uitzien, want, weinige schreden nadat wij het bosch verlaten hebben, willen we rechts een pad inslaan, dat op een kleine hoeve uitloopt. We kunnen dit huis wel omgaan, zonder aan de bewoners ergernis te geven, en komen dan op den eindeloos langen Bankweg uit.

Om van de lengte van dezen weg en tegelijk van de uitgestrektheid van dit landgoed een goed denkbeeld te hebben, zouden wij hem eigenlijk een eind in terugkeerende richting moeten opwandelen, tot op het hoogste punt. Wij willen dit echter nu niet doen, om onze toch reeds vrij uitgestrekte wandeling niet noodeloos te verlengen. Bij de eerst volgende gelegenheid komen we daar vanzelf terecht.

Wjj slaan dus bij de hoeve links om, en hebben dan nog een aardig zonnig eindje vóór ons, maar waarvan toch het laatste gedeelte weer door een dennenbosch gaat.

Langer dan een minuut of tien is het echter niet, en dan komen we uit op een open vlakte met nog jonge dennebosschen, op de plek waar een wegwijzer staat.

Naar de Pembroekbank behoeven we hier niet te zoeken; immers op een kleinen afstand recht vóór ons zien we, op een opgeworpen hoogte, een mooien Berkeboom staan, met een bank links en andere rechts er onder.

Wanneer men nu bedenkt dat men hier op het hoogste punt van het steeds in Oostelijke richting oploopende landgoed, en daarbij nog op een heuvel staat, met de zeer uitgestrekte hei vóór zich, terwijl men slechts door een nog zeer jong bosch daarvan gescheiden is, dan kan men