Pagina:WitteHeinrich DriekleurigeViooltje1875.djvu/165

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
147
EEN HOOFDSTUK ALS TOEGIFT.

zonder kruising, ten laatste in 't bezit van een ras van grootbloemige planten komen.

Laat men? deze echter daarna weder aan zichzelf over, of let men er niet voortdurend op, alleen van de grootbloemige planten zaden tot vermenigvuldiging te kiezen; dan zullen ze ook even zeker weder teruggaan, en de bloemen ten laatste in grootte niet veel meer van de oorspronkelijk in 't wild groeiende verschillen.

De liefhebbers, die zulke planten in hun tuinen kweeken, weten dit doorgaans niet of slaan er geen acht op; vandaar dat zulke zaadplanten dan ook gewoonlijk met ieder jaar achteruit gaan. De kweeker daarentegen, wiens belang het medebrengt, om zulke, door kunstmatige behandeling ontstane vormen, zoo zuiver mogelijk te behouden, verwijdert in tijds al die planten, bij welke teruggang merkbaar is.

Wanneer men die grootbloemige Viooltjes zichzelf laat zaaien, en op die wijze min of meer laat verwilderen, wat ze veelal doen, en zich er vervolgens niet meer mede bemoeit, dan noodig is om de plantjes verder op te kweeken, zal men zeker de bloemen, ook de allergrootste met ieder jaar kleiner zien worden.—